Geestelijke nood

Zouden Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer hun deze week postuum verschenen interviews met Piet Vroon - die zij tijdens diens leven uit overwegingen van piëteit uit de krant hielden - ook hebben gepubliceerd als de Utrechtse hoogleraar bij een auto-ongeluk was omgekomen? Vermoedelijk niet. Maar nu Vroons nabestaanden geen doodsoorzaak hebben genoemd, achten de twee weekbladen het alsnog opportuun op deze wijze duidelijk te maken dat een andere conclusie dan zelfmoord vrijwel onontkoombaar is.

Uit de interviews, beide dit najaar afgenomen, doemt een gekweld, zwaar depressief en van wanen bezeten mens op. Iemand die niet meer voor zichzelf kan instaan en die dus tegen zichzelf en de sensatiebeluste buitenwereld beschermd moet worden. Dat was dan ook de reden dat zowel Vrij Nederland als De Groene in november afzagen van publicatie. Een beschaafde, menslievende en journalistiek juiste afweging.

Dat het ook anders kan bewees Het Parool, dat Vroon in juli vorig jaar voor de leeuwen wierp door plaatsing van een vraaggesprek waaraan een kind kon aflezen dat de man psychisch volkomen in de war was. Dit alles 'opgeleukt' met een foto waarop de hoogleraar functieleer en theoretische psychologie aan de Universiteit van Utrecht, blootvoets staande op een tafel werd tentoongesteld in sjamberloek.

Wat zullen ze gelachen hebben, daar aan de Wibautstraat.

In Vroons necrologie in Het Parool staat dat er over de plaatsing van dit meedogenloze interview 'stevig is gediscussieerd'. Maar de vraag of Vroon tegen zichzelf in bescherming moest worden genomen, werd weggestreept tegen de overweging 'dat de publieke bekendheid Vroon het artikel had geautoriseerd, ja zelfs had aangevuld met elementen die te pijnlijk hadden geleken. In dat geval moet de samenleving weten hoe het zo iemand vergaat.' Maar dan is het wel bijzonder hypocriet dat de Parool-necroloog - weghollend voor de gevolgen van de eigen publicatie - hier nu aan toevoegt: 'Pretbelust Nederland ging daarna nog een poosje met Vroon aan de haal. Zo kon iedereen zien hoe hij bij Spijkerman uit z'n bol ging tegen ene Ratelband, die hem mateloos schoffeerde, met de lachers op zijn hand natuurlijk.'

Dit was geen necrologie, maar een poging tot zelfrechtvaardiging van Het Parool voor een interview dat maar beter niet gepubliceerd had kunnen worden: om Vroon tegen zichzelf en anderen te beschermen, om zijn reputatie niet nodeloos te schaden en uit mededogen met iemand die evident in geestelijke nood is.

Gelden diezelfde afwegingen ook nog als de geïnterviewde overleden is? De nabestaanden hebben blijkbaar aan terughoudendheid gehecht. Iemands reputatie kan toch ook na zijn dood nodeloos worden geschaad?

Carel Peeters, hoofdredacteur van Vrij Nederland, geeft toe dat er niet met Vroons familie is overlegd over publicatie van het postume interview. “Maar”, zo vertelt hij me, “het maakt wel degelijk verschil uit of de betrokkene nog in leven is of niet. Zeker als je het interview met Vroon beoordeelt in combinatie met ons respectvolle In Memoriam.” Voor Peeters staat voorop dat het interview inzicht verschaft in de dramatiek van Vroons leven en dat het “opvoedkundige waarde heeft”. Wat dat laatste betreft wijst hij op de totale wanhoop van Vroon naar aanleiding van een 'beschamende brief' die hij, na zijn psychotische tv-optreden bij Spijkerman, van de Universiteit van Utrecht mocht ontvangen en waarover hij tijdens het interview in tranen uitbarstte.

De bewuste brief, volgens Vroon een 'blafbrief' van het College van Bestuur, bevat de volgende door VN geciteerde passage: 'U dient er rekening mee te houden dat u binnenkort een oproep kunt verwachten van de bedrijfsarts, aangezien u de universiteit veel schade hebt berokkend.' Voor Vroon deed dit de deur dicht, aldus VN. Het is inderdaad ongelooflijk. Zelfs bij een volkomen stabiel mens zouden alle stoppen doorslaan als hij na veertien jaar succesvolle arbeid door zijn werkgever werd afgebekt met een non sequitur als: u hebt het bedrijf schade berokkend en dus moet u naar de medische dienst.

De brief is in VN correct geciteerd, verzekert Peeters me, maar ik kan mijn ogen niet geloven. Bij mij wil het er niet in dat het Utrechtse College van Bestuur zulke teksten rondzendt en dan nog wel aan iemand met zware psychische problemen. Maar wat zegt de woordvoerder van dat College? “Ja, er is na het optreden van prof. Vroon in het programma Spijkers een brief van het CvB naar hem gestuurd.” Wat er in die brief staat wil hij echter niet zeggen en ontkennen dat het citaat in VN klopt, wil hij ook niet. Hij weigert zelfs te vertellen of dergelijke brieven überhaupt wel eens worden verstuurd en als dat wèl het geval zou zijn, heeft hij daar geen mening over.

Voelt zo'n College van Bestuur zich dan helemaal niet begaan met zijn werknemers? Heeft niemand van de Utrechtse geleerden gezien dat Vroon in dat televisieprogramma bezig was met zelfdestructie in plaats van met schade toebrengen aan de universiteit? Had er in plaats van een 'blafbrief' te sturen, geen hulp georganiseerd moeten worden? De woordvoerder zucht om zoveel domme vragen en herhaalt voor de tiende keer dat het College van Bestuur na Vroons tv-optreden een brief geschreven heeft “uit zorg voor de persoon en zijn functioneren”.

Over voorlichters hoor ik niets dan kwaads en ik begrijp ineens weer waarom. Als de voorlichting van de universiteit ook maar enige betekenis zou hebben, had men direct na het verschijnen van Vrij Nederland in een persbericht het citaat ofwel tegengesproken of toegegeven dat het CvB inderdaad op zo'n kille manier omgaat met werknemers in geestelijke nood, en belooft dat dit nooit meer zal gebeuren.

Van een privé-persoon, zelfs als dat een 'publieke bekendheid' is, hoeft de samenleving wat mij betreft niet ten koste van alles te weten 'hoe het hem vergaat'. Maar van een openbare instelling als de universiteit horen we dat natuurlijk wel precies te weten.