EEN SPOORZOEKER IN DE WOESTIJN

Gerard Jimmink won in 1995 als eerste Nederlandse motorcoureur een etappe in de woestijnrally Parijs-Dakar. Dit jaar voegde hij daar twee zeges aan toe. “De woestijn schuift op, ik heb het zelf gezien. Andere jongens gaan naar de Hogere Landbouwschool, ik doe Parijs-Dakar. Daar leer je ook van.”

Tidjika-Atar eerste, Boutilimit-Saint Louis eerste, Saint Louis-Dakar tweede. De beste resultaten die Gerard Jimmink in de eerste weken van januari in Parijs-Dakar behaalde, prijken op een bord dat de muur siert van het loonwerkersbedrijf dat hij met zijn broer runt. Het zijn geen alledaagse bestemmingen voor een jongen die verknocht is aan de wijdse polders in de kop van Noord-Holland. Zijn achternaam verraadt wortels in het oosten van het land. “Volgens de verhalen stammen we af van een barones en een tuinman.”

Dinsdag keerde Jimmink (34) terug van de rally die op nieuwjaarsdag in Versailles begon en achttien dagen duurde. Als hij op het erf de motor laat zien waarmee hij twee jaar geleden de woestijnrally reed, stopt er een auto op de dijk. “Hé buurman”, roept een jonge vrouw. “Ik heb elke avond gekeken! Goed gereden. Doei!”

Nauwelijks 24 uur heeft Jimmink weer de vertrouwde kleigrond onder zijn voeten. De motor waarmee hij bijna 11.000 kilometer aflegde, een KTM 660 cc eencylinder, staat dan nog in Afrika, klaar voor een lange bootreis. “Ik ben altijd lief voor mijn motortje”, liet Jimmink zich in Afrika ontvallen tegenover een verslaggever. “In principe maak ik nooit een motor stuk”, zegt hij nu. “Ik heb heel veel gevoel voor het motorrijden. Ik weet precies wat mijn grens is. Als ik een etappe heb van duizend kilometer en er zit bijvoorbeeld driehonderd kilometer rechtuit rijden op los zand in, dan weet ik precies zo te draaien dat ik maximale snelheid heb en de motor niet overbelast. Dat is mijn kracht.” Ook Jimmink zelf was niet stuk te krijgen. “Elke dag werd het zwaarder en na tien, elf, twaalf dagen begon het pas echt leuk te worden. Hoe zwaarder, hoe leuker.”

Frankrijk, Spanje, Marokko, Mauretanië, Mali en Senegal - Jimmink kwam er voor de vierde achtereenvolgende keer. In 1995 was hij achtste en won hij een rit, in 1996 was hij vierde en vorig jaar moest hij na een val in Mali opgeven. “Mijn vrouw zegt: 'Ik heb liever dat je thuis bij me blijft. Maar als jij denkt dat je dat moet doen, moet je dat gewoon doen.' Man, als je ziet wat je er leert. Anderen doen de Hogere Landbouwschool. Ik heb dat niet gedaan, ik heb Parijs-Dakar gereden en daar leer je ook veel van.”

Intussen kan Jimmink ook meepraten over El Niño, de warme golfstroom in de Stille Oceaan die het klimaat in de hele wereld sterk beïnvloedt. “Het klimaat was er totaal anders dan de vorige keren. Die eerste Dakar was het zo heet, wel veertig graden. Ik kon mijn laarzen toen leegkiepen met zweet. Nu was het de laatste paar dagen warm, fantastisch weer om bij te rijden.”

Vastbesloten is Jimmink om zich meer te verdiepen in de landen waar hij is geweest. “Ik heb gezegd: als ik thuiskom, moet ik een boek hebben over Mauretanië en Mali. Ik wil daar meer van weten. Ik heb nou ook gezien dat de woestijn opschuift. Ik kom op een gegeven moment de duinen uit en rij een dorp binnen dat gewoon onderstuift. Als je tien of vijftig jaar verder bent, is het allemaal weg. De woestijn schuift op. Ik wil weten hoe dat allemaal zit.”

Als kind zat Jimmink al vaak in de zandbak. “Met het trekkertje. Dagen, weken.” Als tienjarig ventje reed hij met een Mobyletje op een veldje naast het ouderlijk huis. Nu is de woestijn van Afrika zijn speeltuin.

Of Parijs-Dakar gevaarlijk is? Jimmink zal het niet ontkennen. Hij ondervond de gevaren van de rally aan den lijve. Met een collega huurde hij na aankomst in Dakar een auto. “We staan voor het stoplicht en de auto achter ons heeft geen remmen. Klapt er zo bovenop. Gelukkig stond onze wagen niet op de handrem of in de versnelling, dus we vlogen meteen een eind vooruit.”

Jimmink kan het zonder een schrammetje navertellen. “In de rally ben ik deze keer maar één keer gevallen. Het ging niet zo hard, rond de dertig. Ik ben natuurlijk wel een paar keer omgevallen in de duinen, maar dat telt niet.” Vrijwel elk jaar rijdt de dood mee in Parijs-Dakar. Een Spaanse motorrijder liep zwaar hersenletsel op en ligt in coma in een ziekenhuis in Dakar. Op de terugweg botsten uitgevallen rallyrijders in Mauretanië op een auto, waarvan de vier inzittenden om het leven kwamen. Jimmink: “Dat zijn natuurlijk drama's. Het gevaar rijdt mee. Dood, dat vind ik zo'n eng woord. Je hoopt natuurlijk dat jou nooits iets overkomt.”

Marokko was het eerste Afrikaanse land waar de paardenkrachten van rally-auto's, motoren en vrachtwagens werden losgelaten. “Daar rijd je met hoge snelheden. Met 130, 140 over die paden. Meestal zie je die kuilen nog net op tijd. Met die snelheden wordt er in Marokko lichamelijk minder van je gevraagd, maar het risico is met al die kuilen wel erg hoog.”

De coureur annex ondernemer toont het roadbook, een routebeschrijving in de vorm van een rol die in de cockpit van zijn motor achter plexiglas zit en met een druk op een knopje elektrisch kan worden doorgerold. “Zo rijd je Dakar”, zegt hij, wijzend op cijfers en tekeningetjes. Ik rij altijd van plaatje naar plaatje. Hier staat dat je een koers moet aanhouden van 90 tot 100 graden. Dat controleer je met je GPS (Global Positioning System, navigatiesysteem met behulp van satelliet, red.). Het valt niet mee om dat onder het rijden allemaal te bekijken. Daar had ik in het begin, met die hoge snelheden in Marokko, wel moeite mee.”

Onderweg afstappen om de route eens rustig te bekijken doet Jimmink niet. Hij zet de motor alleen stil voor een sanitaire stop. Eigenlijk duurt dat hem al te lang. “In Mali reed ik eens met een kapot navigatiesysteem door de woestijn; 250 kilometer zonder rolletje, ik had alleen GPS. In het begin had ik nog spoor voor me. Na dertig kilometer dacht ik, dit is het verkeerde spoor. Dan maar de goeie koers aanhouden. Maar dan heb je geen spoor meer en rij je in je eentje door de duinen. Als ik nou toch val, spookte het door mijn hoofd, dan vinden ze me niet zomaar. Pas na 150 kilometer zag ik weer een spoor. Zo doe ik het dus nooit meer. Ik ga niet meer in mijn eentje de woestijn in. Raar hoor. Als je maar een spoortje ziet, voel je je al beter.”

Jimmink legde dit jaar in Mali op één dag duizend kilometer af. “Tien uurtjes door het zand. Twee keer een tankstop, gewoon, met een vrachtwagen middenin de woestijn.” Hij finishte als tweede, maar die plek telde niet. De wedstrijd werd geneutraliseerd na problemen bij de benzinestop. Toch bewaart Jimmink mooie herinneringen aan de monsteretappe. “Na die tankstop rij je verder en kom je mensen tegen met kamelen. Van Taoudenni naar Timboektoe moesten ze nog 75 dagen lopen. Hele colonnes. Dan weer honderd kamelen, dan weer tien, dan weer honderd. Indrukwekkend. Omdat de wedstrijd was geneutraliseerd kon ik makkelijk stoppen om foto's te maken. Ik zwaai ook altijd. En altijd krijg ik reacties terug. Weet je wat ik gek vind? Dat ze met nog 75 dagen te gaan niet op die kamelen gaan zitten. Nee, dan lopen ze ernaast. Maar ze hebben geen haast. Wij hebben haast. Misschien zijn die mannen daar nog gelukkiger dan wij. Dat vraag je je dan wel eens af als je daar rijdt. Zijn wij in Nederland, in West-Europa dan zo goed bezig? Kijk alleen maar naar het gebruik van de zaktelefoon. Gek word je ervan.”

Jimmink kent de kritiek op Parijs-Dakar. Dat de deelnemers als gemotoriseerde kapitalisten hun decadente hobby uitoefenen in een decor vol armoede, niet zelden ten koste van levens van de plaatselijke bevolking. Jimmink doet er niets aan af. “Aan de andere kant gaat er ook veel geld heen. Zelf geef ik hier en daar ook nogal wat geld uit. Dan moet er weer eens ergens wat gelast of geregeld worden. En als ze je helpen, geef je ze een pittig centje. Ik neem ook souvenirs mee uit Dakar en daar betaal je ook weer grif voor. Daar hebben ze volgens mij een maandsalaris aan.”

Om deel te nemen aan Parijs-Dakar heeft Jimmink telkens een slordige 100.000 gulden nodig. Voor de inschrijving, de aanschaf van de motor en de banden. Zijn debuut in de woestijn, in 1995, financierde hij door vijfhonderd sweaters te verkopen met de naam van een sponsor en het logo van Parijs-Dakar. “Het was voor mij, met een eigen bedrijf, een beetje raar om geld te vragen omdat ik Parijs-Dakar wilde rijden. Mezelf aanprijzen - 'Ik ga heel hard, ik ben heel goed' - dat kan ik niet. Dus toen heb ik die sweaters voor honderd gulden per stuk verkocht en een woestijnparty in de schuur georganiseerd. Een heel mooi feest voor achthonderd man, met verloting en dat soort dingen. Zo kwam ik aan het geld. Ik had goed gereden, kwam terug en er was weer een woestijnparty.”

Jimminks vierde Parijs-Dakar was waarschijnlijk ook zijn laatste. “Zeg nooit nooit, maar zoals ik er nu over denk wel. In het begin wilde ik beter, de tweede keer wilde ik beter. Ik had meer moeten voorbereiden en trainen om het deze keer nog beter te doen, maar ik kan dat niet meer opbrengen. Dan zou ik te veel in de steek moeten laten. Als ik weer zou gaan, ga ik voor de eerste drie plaatsen. Ik kan dat. Ik heb de capaciteit, ik heb de kracht in m'n lichaam, het inzicht. Daar ben ik van overtuigd. Maar dan moet ik nog meer rally's gaan rijden en wordt het eigenlijk je werk. Ik kan niet mijn vrouw alleen laten, ik kan niet mijn broer alleen laten. Laat nou eerst een andere Nederlander maar eens drie etappes winnen”, zegt Jimmink met de jongste van zijn twee kinderen op schoot.

Mist hij zijn gezin niet als hij alleen is met de woestijn? “Ik sluit me daarvan af. Als ik afscheid neem, ga ik mijn vrouw niet zeggen dat ik van haar hou. Dat weet ze. Als ik wegga, zeg ik Tot kijk! en kijk ik niet meer om.” Behalve toen Jimmink Parijs-Dakar voor het eerst reed en hij bij de boot naar Afrika door zijn vrouw werd uitgezwaaid. “Ik moest langs de douane en dat duurde een kwartier. Stond ik te janken. Ik dacht, jezus, zo'n grote stoere kerel, die rijdt Parijs-Dakar en staat te janken op de boot.” Wel belde hij elke dag klokslag zeven uur even naar huis - dertig gulden per minuut. “Ik hou die gesprekken heel koel. Ik wil alleen maar weten of het goed gaat, verder niks. Mijn vrouw zei een keer 'Ik hou van je'. Dat werd me bijna te veel, dat moet ze niet doen.”

Geëmotioneerd was Jimmink ook bij de huldiging in Dakar. “Eerst komen er vier professionals op het podium en toen Gerard Jimmink. Hubert Aubriol, de grote baas van de rally, kwam erbij en zei tegen het publiek: 'Kijk, dit is nou de echte amateur. Die geniet van Parijs-Dakar, die geniet van het evenement. Hij is niet de snelste man maar pakt toch af en toen een overwinning door zijn alertheid, oplettendheid, techniek'.”

Gisteravond vierde Kolhorn de zoveelste woestijnparty in de schuur van het loonwerkersbedrijf aan de Ansjoviskade. “Voor mij had het niet gehoeven, al die drukte”, zegt de coureur. “Maar het is zoals mijn vrouw zegt: als we het niet doen, zitten we nog weken met mensen die je komen feliciteren. Na dat feest kan ik mijn gewone leven weer oppakken.”