Een landgoed met voordeel; Bezit mogelijk met hulp fiscus en subsidies

Een eigen landgoed in het noorden van Nederland. Met behulp van subsidies en de belastingdienst is het bezit daarvan mogelijk.

's Morgens in galop over je eigen jachtgebied. 's Middags dwalen door je persoonlijke bos- en heideterreinen. En 's avonds, vanaf je bordes, mijmerend staren over jouw loofbossen. Niet langer zijn dat bijna vergeten genoegens van de negentiende eeuwse Russische adel. Subsidies en fiscale vrijstellingen maken nieuwe landgoederen bereikbaar voor (nieuwe) rijke Nederlanders. Om fiscale voordelen te krijgen, moeten aankomende landjonkers zorgen dat hun bezit valt onder de Natuurschoonwet (NSW). Dat lukt als het landgoed voldoet aan de definitie van de ministeries van LNV en VROM.

'Een nieuw landgoed is een nieuw te ontwikkelen en duurzaam te beheren boscomplex (al dan niet met overige gronden) met daarin één gebouw (woonhuis) van allure met daarin maximaal 2 à 3 wooneenheden. Het gebouw heeft primair een woonfunctie. De minimale omvang van de bebossing is 5 hectare. Maximaal 10 procent van de totale oppervlakte is privé-terrein en de rest is openbaar toegankelijk. Het geheel heeft een belangrijke maatschappelijke meerwaarde.'

Iemand die aan de definitie voldoet én zijn landgoed-plan goedgekeurd weet te krijgen door provinciale en gemeentelijke overheden, kan mogelijk financiële voordelen behalen. Ten eerste mag de landeigenaar die landbouwgrond omzet in bos zijn terrein ter compensatie deels gebruiken om op te bouwen (landbouwgrond is vele malen duurder dan bos). Twee jaar nadat hij bos heeft aangeplant, kan hij een schikking aanvragen om onder de Natuurschoonwet te vallen. De fiscale voordelen daarvan kunnen oplopen. Ten eerste hoeft de landeigenaar die binnen drie jaar tweejarig bos op zijn terrein heeft staan geen 6 procent overdrachtsbelasting over de grondprijs te betalen. De grond is daarnaast vrij van onroerende zaak belasting. Als de nieuwe bossen voor publiek zijn opengesteld, is iemand die het bezit uit eigen middelen financiert, voorts geen vermogensbelasting over de waarde van het landgoed verschuldigd. En vererving of schenking kunnen vrij van successie- en schenkingsrechten geschieden. Dat kan heel aantrekkelijk zijn voor vermogende mensen die het bezit in de familie willen houden.

Maar voor wat hoort wat. De genoten fiscale voordelen blijven vijfentwintig jaar lang een latente belastingschuld. Valt het landgoed binnen die periode niet meer onder de wet, dan moet de belasting alsnog met de rente worden betaald.

Een doordacht landgoed-plan benut ook subsidiepotten. De Stimuleringsregeling bosuitbreiding op landbouwgronden geeft eenmalig recht op maximaal 5.000 gulden per hectare om bos aan te planten. De Stimuleringsregeling duurzaam bouwen kan 5.000 per woning opleveren. Voorts zijn er jaarlijkse subsidies. Boeren die op bosbouw overgaan, kunnen 20 jaar lang maximaal 1.590 per hectare inkomenscompensatie krijgen. Voor burgers geldt een lagere subsidie. Zij ontvangen 15 jaar lang 500 gulden per hectare.

Toch kost een landgoed uiteindelijk geld. De studie Verkenning van mogelijkheden voor nieuwe landgoederen in Noord-Nederland geeft ramingen voor verschillende landgoedtypen. Een relatief voordelige optie is een 5 hectare groot landgoed in Drenthe. De investeringen betreffen het landhuis, de tuin, het bos, de wandel- en fietspaden en de bouwrente. Rekening houdend met subsidies bedraagt de totale voorbeeld-investering ruim 1,1 miljoen gulden. Dit hele bedrag valt mogelijk 'groen' te financieren. Uitgaande van 5 procent groene rente kost dat jaarlijks 55.000 gulden. Iemand met een voldoende hoog belastbaar inkomen, die geld leent, kan die rente van het inkomen aftrekken. Bij een belastbaar inkomen van ongeveer 1,5 ton kunnen de rentelasten daardoor netto uitkomen op 22.000 gulden. Daarnaast zijn er beheerkosten en houtopbrengsten. Per saldo vormen die volgens het rapport een jaarlijkse kostenpost van 45.000 gulden. Dat brengt de totale netto woonlasten, in dit gunstige geval, op grofweg 5.600 gulden per maand.

Het is slechts een voorbeeld. Belangrijke factoren die de woonlasten bepalen zijn: de grondkosten, de kosten om het terrein bewoonbaar te maken (water, gas, elektriciteit en telefoon aanleggen is duur) en het aantal eigenaren dat deelneemt. Het landgoed mag ook eigendom zijn van een NV of BV met maximaal twintig aandeelhouders. Als er drie een appartement in het landhuis hebben, kunnen ze veel kosten delen.

Half Nederland dus een eigen landgoed? Het blijkt niet zo eenvoudig. Aankomende landjonkers behoeven een forse dosis motivatie. De voorbereiding van een plan duurt, wegens de wirwar aan regelingen, snel twee jaar, weet Meino Lumkes, de provinciale beleidsmedewerker die landgoed-geïnteresseerden in Drenthe begeleidt. In deze provincie geldt een minimale landgoedomvang van 5 hectare. In Groningen is het minimum echter 25 hectare, en de Friezen houden nieuwe landheren liefst helemaal buiten de deur. Verder stuiten landgoedontwikkelaars op planologische procedures, wensen van buren en bestemmingswijzigingen. Is tenslotte alles in orde, dan moeten het huis, de bossen en tuinen er komen en in stand blijven.

Toch zijn er succesvolle voorbeelden. Zo valt bijvoorbeeld het terrein van voormalig agrariër Bob Rossingh onder de NSW. Zijn 70 hectare tellende landgoed stichtte hij op een voorkeurslocatie voor bosontwikkeling bij Ter Apel. Op tien hectare grasland fokt Rossingh edelherten. De overige 60 hectare zijn beplant met nu tweejarige fijnsparren en eike- en beukeboompjes. “Ik heb gebruik gemaakt van alle regels die in mijn voordeel uitgelegd konden worden”, vertelt Rossingh. Volgens hem zijn er voor andere geïnteresseerden zeker mogelijkheden. “Maar je moet goed thuis zijn in de materie en er zelf behoorlijk wat geld in steken.” Toch verwacht Rossingh niet dat straks de halve Randstad een landgoed in het Noorden bestiert. “Nee, hoor”, schatert hij, “lang niet iedereen is hier geschikt voor. Een landgoed is natuurlijk schitterend, maar ik woon hier wel aan het einde van de wereld. Als ik buitenkom, hoor en zie ik niets. Stadsmensen denken wel dat ze daarvan houden, maar in het donker worden ze bang.”

(Meer informatie bij de provinciebesturen van Groningen, Friesland en Drenthe).