Een koninklijk onderkomen

De afgelopen jaren heb ik mogen werken in een van de mooiste gebouwen van de Leidse Universiteit. Het Sinologisch Instituut is namelijk sinds 1982 gevestigd in het Arsenaal, een voormalige kazerne uit het begin van de negentiende eeuw. Toen ik in 1963 als student in Leiden aankwam, maakte het Arsenaal nog deel uit van de militaire koksschool en was het een verwaarloosd cavalje.

Maar toen in de loop van de jaren zeventig het leger Leiden had verlaten, werd het Doelen-terrein heringericht om de Faculteit der Letteren te huisvesten. En terwijl alle andere, veel jongere panden met de grond gelijk werden gemaakt, werd het Arsenaal geheel gerestaureerd. Dat gebeurde nog in een periode dat geld geen rol speelde en het resultaat was en is schitterend.

Omdat het Arsenaal een oud gebouw is, zijn de kamers niet de bouwtechnische vertaling van het ieder naar rang en stand toekomende aantal kubieke meters ruimte, maar hebben ze nog een menselijke maat. En hoewel de oude houten balken geen dragende functie meer hebben, zijn ze nog wel zeer zichtbaar in de plafonds aanwezig. De werkkamers van de medewerkers liggen in een u-vorm rondom een grote binnenplaats met een glazen dak, dat gedragen wordt door een opvallende open balkenconstructie.

Op de binnenplaats zitten overdag de studenten niet alleen vorm te geven aan hun sociale contacten maar ook te studeren, en na vijven worden er recepties gehouden, zodat de universitaire bestuurderen zich voortdurend naar ons toe begeven in plaats van andersom. Omdat het Arsenaal bovendien een van de beste sinologische bibliotheken van Europa huisvest, is er voor de gemiddelde sinoloog in het algemeen weinig reden om deze paradijselijke vesting te verlaten.

Daartegenover staat dat de huisvesting van het College van Bestuur van de Leidse Universiteit en het bureau zolang ik mij kan herinneren altijd uiterst armetierig is geweest. Aan het einde van de jaren zestig heeft het Leidse CvB het gedeelte kantoorruimte betrokken in een flat tegenover het station, boven een supermarkt, een kapper en nog wat kleine neringdoenden. Op dringend verzoek van onze bestuurderen schijnt toen de ingang nog wat aangepast te zijn, maar wie niet weet dat ter plekke het CvB zetelt, zou kunnen denken dat de Rijksuniversiteit daar haar afdeling verwerking oud papier had weggestopt. Blijkbaar geldt binnen het gebouw een absoluut verbod op de verfraaiing van de werkomgeving, want de troosteloosheid van vele gangen en kamers tart elke beschrijving.

Ofschoon ik de medewerkers van het Bureau natuurlijk van harte een aangenamer werkomgeving gun, heb ik de huisvesting van ons CvB toch altijd als uiterst passend ervaren. De keuze voor een ligging van het Bureau vlakbij het station moet zonder meer als uiterst wijs en vèrziend worden bestempeld. De locatie is uiterst milieuvriendelijk, zeker nu zoveel van onze bestuurderen buiten Leiden wonen. Het Bureau ligt bovendien topografisch precies in het midden van alle faculteiten, zodat het CvB tot alle faculteiten ook bestuurlijk dezelfde afstand kan bewaren. Bovendien brengt de huidige huisvesting van het CvB tot uitdrukking dat aan de Leidse Universiteit onderwijs en onderzoek nog steeds op de eerste plaats komen en dat het bestuur en beheer niet meer zijn dan ondersteunende, faciliterende diensten. Een van de zaken die ik onthouden heb bij het lezen van Willem Otterspeers De wiekslag van hun geest. De Leidse universiteit in de negentiende eeuw (Den Haag: Stichting Hollandse Historische Reeks, 1992) is dat in die periode in Leiden, net als in Utrecht en Groningen, wel steeds nieuwe plannen gemaakt zijn voor een nieuw academiegebouw, maar dat als het geld er dan eenmaal was, de curatoren in hun onvolprezen wijsheid dat geld liever besteedden aan de bouw van een nieuw laboratorium dan aan een universitair pronkpaleis. Daarom hebben we in Leiden godzijdank nog steeds de aandoenlijke oude Academie en de tot bestuurlijke nederigheid neerdrukkende huisvesting van het Bureau.

Maar de vooruitgang gaat zelfs aan Leiden niet voorbij.

Wanneer ik de laatste weken over het Rapenburg naar mijn werkplek fietste, kwam ik langs een gapende opening in het statige hek voor het voormalige gebouw van de universiteitsbibliotheek. Een paar dagen terug was de straat afgezet, want een grote kraan moest door een nog grotere kraan over het gebouw heen naar de achtertuin worden getild. Het was duidelijk: na jaren van plannen maken en touwtrekken was de knoop doorgehakt en was men daadwerkelijk begonnen met de herinrichting van het gebouw als de nieuwe huisvesting van het CvB.

Een foto van de kraan die een kraan hoog door de lucht verplaatst, siert ook in de rechterbovenhoek de voorpagina van het 20 januari-nummer van Mare, het Leidse universiteitsorgaan. De boodschap die wordt uitgedragen is duidelijk: hier wordt hard gewerkt, hier wordt iets groots verricht, hier streven we naar iets hoogs! Die boodschap wordt meteen ondergraven door een artikel in de linkerbenedenhoek van dezelfde voorpagina, waaruit blijkt dat de opvolger van het vertrekkende hoofd van de afdeling interne en externe communicatie (zeg maar: voorlichting en propaganda) voortaan de projectdirecteur universitaire ontwikkeling zal heten, zodat men zich vertwijfeld afvraagt of het koersen op kwaliteit van 's lands oudste universiteit straks vooral zal bestaan uit het oppoetsen van haar imago.

Dezelfde wegversperring van de kraan die een kraan takelde, leidde ook tot een bericht over de op handen zijnde verhuizing van het Bureau in het Leids Dagblad, een krant die door de meeste van mijn collega's niet wordt gelezen - en dat is misschien maar goed ook. In het Leids Dagblad was de toonzetting echter heel anders, zoals al blijkt uit de kop 'Koninklijk onderkomen voor ambtenaren'. Nu geen foto van bouwwerkzaamheden maar van de wulpse plafondschilderingen in de toekomstige kamer van de bestuursvoorzitter, en veel bewondering voor de allure van de nieuwe bestuurskamer.

Ook de Leidse universiteit krijgt nu haar bestuurstempel en blijkbaar brengen grote en fraaie kamers ook grote en fraaie gedachten voort. Binnen de Leidse traditie zou het een mooi gebaar zijn om boven de hoofdingang van het gebouw het opschrift 'Bibliotheca Academiae' niet te verwijderen maar opnieuw te vergulden om zodoende allen die daar binnen gaan eraan te herinneren dat het Bureau van de universiteit, zoals het hoort, gehuisvest is in een voor onderzoek of onderwijs afgedankt pand.

Nu nog iets heel anders. Omdat ik, wanneer u dit leest, voor een aantal maanden naar het buitenland zal zijn vertrokken en ik dus niet meer dagelijks de Nederlandse pers zal uitspellen, wil ik nog graag eenmaal de minister complimenteren met zijn bijzondere creativiteit en daadkracht tijdens de laatste maanden van zijn ambtsperiode. Mijn compliment is ingegeven door de ministeriële ontdekking van het duaal leren (het tegendeel, naar ik aanneem, van het in zijn ogen zeer verwerpelijke maniakaal studeren).

'Duaal leren' schijnt een specialisme te zijn van de Canadese University of Waterloo. Nu weet ik ook wel dat wanneer in het buitenland het wiel weer wordt uitgevonden, het altijd ronder is dan in Nederland, maar laat ik nu toch met mijn stomme kop gedacht hebben dat we in Nederland al een heel aardig stelsel van duaal leren kenden. In het middelbaar en hoger beroepsonderwijs vormen (betaalde) stages een integrerend onderdeel van de studie, en in een toenemend aantal universitaire studies wordt ook gebruikgemaakt van stages (bovendien leefde ik in de veronderstelling dat de universiteit er nu juist was om dingen te leren die je in de praktijk nu juist niet of niet zo makkelijk leerde, maar dat ter zijde). Voor mensen met een baan zijn er avond- en deeltijdopleidingen. Wie een opleiding volgt in het verlengde van zijn of haar studie is slim genoeg om specialisatie en scriptieonderwerp aan te laten sluiten op de arbeidservaring. Maar er zijn natuurlijk ook mensen die nu juist een studie volgen die niets met hun huidige werk te maken heeft omdat ze iets anders willen gaan doen.

Nu, begrijp ik, is het de bedoeling studenten studiepunten te geven voor hun werkervaring in loondienst. Dit is geniaal!

Eerst wordt het stelsel van studiefinanciering zo ingericht dat veel studenten wel moeten gaan werken, en vervolgens gaan we ze studiepunten geven voor het werk waardoor ze geen colleges kunnen volgen. Hier blijkt toch op verbluffende wijze de expertise van onze minister op het terrein van de financiën van arme landen. Maar aangezien we voor het leven studeren en niet andersom, ligt het natuurlijk voor de hand om dit systeem uit te breiden. Waarom moet een student überhaupt nog studeren? We kunnen toch veel beter credits geven voor life experience? Dat doen vele internationaal wervende instellingen in de Verenigde Staten toch ook al? Dan wordt de University of Waterloo het Waterloo der Nederlandse universiteiten en kan de Universiteit van Harderwijk haar poorten weer openen.