Van Gogh of niet Van Gogh, Het Van Gogh Museum twijfelt aan de twijfelaars

Het schilderij 'De tuin van de inrichting', eigendom van het Amsterdamse Van Gogh Museum, is een van de werken van Vincent Van Gogh die in de internationale pers de laatste tijd onder vuur liggen. Is het vals? Nee, stelt Louis van Tilborgh, conservator van het museum. Hij hekelt de methoden van de twijfelzaaiers, die volgens hem onduidelijke argumenten gebruiken en te vrijblijvend met de kunstwerken omgaan: “Het schilderij zelf moet centraal staan.”

De New York Review of Books opende deze week met een pagina's lang artikel waarin de authenticiteit van een aantal schilderijen van Vincent van Gogh betwijfeld wordt. Gedreven en inventieve liefhebbers hebben de laatste tijd de echtheid van erkende meesterwerken van de schilder aan de kaak gesteld, waaronder diens Portret van Dr. Gachet in het Musée d'Orsay te Parijs en een van de versies van De zonnebloemen, nu in het Seiji Togo Memorial Yasuda Kasai Museum of Art in Tokio. In hun voetspoor lopen journalisten nu te hoop tegen dezelfde schilderijen.

Stelden de experts zich in deze discussie tot dusver terughoudend op, thans heeft één specialist de kant van de twijfelaars gekozen - Jan Hulsker. In zijn laatste, twee jaar geleden verschenen The New Complete Van Gogh plaatste hij bij de beschrijving van 45 werken een vraagteken, waaronder een aantal recent bestookte stukken. Hoewel zijn twijfel de datering betrof, strekte zijn onzekerheid zich ook uit tot de authenticiteit, zoals hij in een interview met deze krant liet weten. 'Soms vallen de vraagtekens samen met twijfel aan de echtheid van een werk. Als een werk vervalst is weet ik natuurlijk al helemaal niet wanneer het gemaakt is. [...] Hoeveel en welke dat zijn, daar laat ik me niet over uit.'

Aan dat laatste hield Hulsker zich in interviews niet. Ook had hij zich aanvankelijk wat minder voorzichtig uitgelaten. In Le Figaro uit januari 1997 liet hij weten dat de vraagtekens in zijn boek op de authenticiteit sloegen en later zou hij aan Martin Bailey van de Art Newspaper hetzelfde schrijven. Vragen over zijn vraagtekens kregen zo de overhand en daarmee toonde hij zich achteraf weinig gelukkig. 'Als ik geweten had wat dit allemaal teweeg zou brengen had ik het anders gedaan.'

Hulskers ontwijkende handelwijze is inderdaad wat ongelukkig. Het probleem is niet zozeer zijn twijfel, maar het gebrek aan duidelijkheid in de argumentatie en de vrijblijvende wijze waarop met kunstwerken - en hun eigenaars - wordt omgesprongen. De van een vraagteken voorziene schilderijen en tekeningen zijn beschadigd, want dat ze voorlopig voor mogelijke vervalsingen zullen worden gehouden, is onvermijdelijk. Hulsker lichtte zijn twijfels over de authenticiteit van sommige werken niet toe. 'Laat de schilderijen-experts zich er maar over buigen', liet hij in NRC Handelsblad weten. De verdachte is, met andere woorden, schuldig tot het tegendeel bewezen is.

Nu gaan er achter Hulskers bedenkingen wel degelijk argumenten schuil. Volgens het interview laat hij zwaar wegen of de werken in de brieven van Van Gogh genoemd worden. Dat is een wonderlijke opvatting. Van Goghs brieven zijn immers geen logboek waarin elk feit geboekstaafd is. Bovendien stelde Hans Luijten in het Van Gogh Museum Journal dat de bewaard gebleven correspondentie in feite 'een bloemlezing van de oorspronkelijke briefwisseling' is.

Bij De tuin van de inrichting, dat zich in het Van Gogh Museum bevindt, was voor Hulsker de herkomst van het stuk aanleiding om aan de echtheid van het doek te twijfelen. Het schilderij is niet, zoals de meeste andere werken uit het Amsterdamse museum, afkomstig uit het bezit van Vincents broer Theo, maar uit de verzameling van Paul-Ferdinand Gachet, met wie Van Gogh in de laatste maanden van zijn leven bevriend was geraakt. In 1954 schonk Gachets zoon het doek aan de Vincent van Gogh Stichting. Wat toen een fraai gebaar leek, is nu in een ander daglicht komen te staan. Gachets verzameling geldt thans door toedoen van vooral de liefhebber Benoit Landais in het publieke debat als uiterst twijfelachtig.

Vervalsingen

In een notitie uit 1996 voerde Hulsker twee argumenten aan voor zijn vermoeden dat De tuin van de inrichting vals is. Het schilderij zou in de brieven niet voorkomen, maar doorslaggevend voor zijn twijfel was dat het doek met een motief uit de inrichting van St-Rémy opdook in de verzameling van Gachet te Auvers-sur-Oise, waar Van Gogh pas in 1890 zou gaan wonen. Dat lijkt een logisch argument, maar het verliest alle kracht als we beseffen dat Hulsker bij de andere zeventien te Parijs, Arles of St-Rémy vervaardigde werken van Van Gogh uit Gachets collectie geen vraagteken plaatste. Waarom alleen dit schilderij afkeuren en de andere niet?

Bij Hulskers wantrouwen speelde echter een rol dat Vincent Willem van Gogh, de zoon van Theo van Gogh, het schilderij altijd als twijfelachtig gezien heeft. Hij accepteerde het werk weliswaar als geschenk van Gachet jr., maar twijfelde al snel en stuurde het in 1973 zelfs op naar een tentoonstelling over vervalsingen in Minneapolis. Hij had vooral bedenkingen tegen de excentrieke zoon van Gachet, die de schilderijen van zijn vader lang voor de buitenwereld verborgen had weten te houden.

Dat laatste wekte kennelijk argwaan. Toch was De tuin van de inrichting zeker niet zo stellig in twijfel getrokken als er niet een tweede, vrijwel identiek schilderij van het motief bestond, tegenwoordig in het Folkwang Museum te Essen. Daarvan zou het schilderij in het Van Gogh Museum volgens een door Vincent Willem van Gogh in 1954 geraadpleegde Franse restaurator een 'copie servile' zijn, terwijl Hulsker in de hierboven genoemde notitie eveneens sprak van een 'nauwkeurig [...] overeenkomende kopie'.

Wanneer twee aan een groot meester toegeschreven schilderijen er precies hetzelfde uitzien, is het vermoeden inderdaad gerechtvaardigd dat een van beide een vervalsing is, maar het schilderij in het Van Gogh Museum is allerminst een exacte kopie van het doek in Essen. Wie het doek goed bestudeert, ziet essentiële verschillen. De boerderij rechts op de achtergrond is ondermeer verdwenen en er is veel meer aandacht besteed aan de takken en kruinen van de bomen in de tuin. Het gele licht van de zon in de lucht valt fraai door de bomenkruin heen, terwijl dit effect in het schilderij te Essen afwezig is. De schildertrant is bovendien meer gestileerd, en het handschrift van de kunstenaar valt mijns inziens zonder meer in de werken te herkennen.

Nu bestaat er in een brief van Van Gogh aan Emile Bernard een uitvoerige beschrijving van de voorstelling. Volgens Hulsker in zijn hierboven genoemde studie zou die echter alleen op het schilderij in Essen slaan, maar dat blijkt bij een zorgvuldige vergelijking onjuist. De passage is beter toepasbaar op het doek uit Amsterdam. Twee elementen zijn doorslaggevend. In de brief wordt gesproken over 'groen dat donker is gemaakt met grijs' en'zwarte figuurtjes'. In het doek uit Essen zijn de figuurtjes blauw en ontbreekt het grijs-groen, terwijl het door Hulsker betwijfelde werk juist op die punten met de beschrijving in de brief overeenkomt. Diens wantrouwen is dan ook ten onrechte, hij heeft vergeten het doek goed te bekijken.

Zulke omissies zijn helaas typerend in de alarmerende berichten van dit moment. De vindingrijke Benoit Landais - die De tuin van de inrichting in het Van Gogh Museum ook in twijfel trekt - heeft net zo'n laconieke houding ten opzichte van originelen. Hij houdt de Zonnebloemen in Tokio stellig voor vals, maar heeft het schilderij nooit in het echt gezien. 'Hoef ik ook niet', bekende hij tegenover Het Parool. 'Ze zijn shit'.

Het is natuurlijk makkelijk om deze aanpak belachelijk te maken, maar het is tekenend voor de wijze waarop werken van Van Gogh in het publieke debat over vervalsingen behandeld worden. De schilderijen zelf worden niet bestudeerd, maar men stelt zich tevreden met een afgeleide. Maar in reproducties gaat Van Goghs zo typerende impasto verloren, en daarmee het belangrijkste element van de authentieke toets waarop de kenner de juistheid van de toeschrijving beoordeelt.

In de discussie over de echtheid zou het schilderij zelf centraal moeten staan. Van Goghs correspondentie en de herkomst van het werk moeten niet uit het oog worden verloren, maar kunnen nooit doorslaggevend zijn bij het toe- en afschrijven van zijn werken.