Strijdlustig satiricus; William Hogarth (1697-1764)

Jenny Uglow: Hogarth. A Life and a World. Faber and Faber, 794 blz. ƒ 98,-

In Engeland is vorig jaar met diverse tentoonstellingen herdacht dat driehonderd jaar geleden de grondlegger van de Engelse schilderkunst, William Hogarth, werd geboren. Zijn ster is verbleekt in de kunstgeschiedenis. In algemene overzichtswerken is zijn faam voorbijgesneld door de meer traditionele kunst van generatiegenoten als Reynolds, Ramsay en Gainsborough. Hogarth heeft echter als geen ander een tijdsbeeld weten vast te leggen. Zijn schilderijen - en meer nog zijn prenten - gunnen ons een unieke blik op het leven in Londen in de achttiende eeuw, op de grote stad met zijn sociale problemen, zijn misdaad en corruptie.

Elke biograaf van Hogarth ziet zich voor het probleem gesteld dat over diens leven weinig bekend is. De schrijfster Jenny Uglow, bekend van eerdere biografieën over literaire figuren als Elizabeth Gaskell en George Eliot, heeft dit probleem ingenieus opgelost. Zij voert ons aan de hand van Hogarth mee door het Londen dat hij kende en weet zo betekenis te geven aan zijn werk en de maatschappelijke context ervan.

Het Londen van na de Glorieuze Revolutie (1688) was de grootste bouwput van Europa. Gevoed door een expanderende overzeese economie breidde de stad aan alle kanten uit. Temidden van dit tumult werd Hogarth geboren op 10 november 1697 in het Smithfield-district, centrum van Londens veehandel. Dit was tevens het terrein van de grootste jaarlijkse kermis - Bartholomew Fair. Dit straattheater, waarin mensen betaalden om voor de gek te worden gehouden, vormde Hogarths eerste en belangrijkste leerschool. Zijn vader was leraar. Hij was naar Londen getrokken om daar, evenals zoveel anderen, zijn geluk te beproeven. Zijn ambitieuze plannen faalden echter door een gebrek aan gunstige familierelaties. Hij opende een koffiehuis, waar de gegoede burgerij zich met elkaar in het Latijn kon onderhouden, maar dit leidde tot een faillissement. Gedurende enkele jaren verbleef hij in de 'Fleet-prison' voor schuldenaars, een gevangenis die bekend stond om zijn miserabele leefomstandigheden. Familieleden van de gevangenen moesten zelf zorgen voor het levensonderhoud van hun dierbaren en zelfs de bewakers persten geld van hen af. Om de familie toch van een regulier inkomen te voorzien werd de jonge William in de leer gedaan bij een zilvergraveur.

Een jaar voor de afloop van het zevenjarige contract besloot hij voor zichzelf verder te gaan als kopergraveur. Vanuit het huis van zijn moeder begon hij in 1720 een winkel in visitekaartjes. Hogarth was er echter de man niet naar om zijn leven lang saai en inspannend werk te verrichten en zocht een uitweg. Die vond hij toen de Engelse natie in 1720 werd getroffen door een enorm schandaal, de 'South Sea Bubble'. Speculatie in aandelen van een onbeduidende handelscompagnie en de daarop volgende ineenstorting van de koersen bracht voor velen een financieel bankroet. Spoedig verschenen spotprenten waarin de regering het moest ontgelden.

Dit nieuwe genre bleek zo aan te slaan dat Hogarth zijn kans schoon zag om naam voor zichzelf te maken. In de jaren twintig publiceerde hij aan de hand van een actueel onderwerp spotprenten die opvielen door hun bijtende satire en toespelingen, zoals The Toast of the Town uit 1724. Deze prent was een aanklacht tegen de heersende gedachten over kunst en met name over het idee dat kunst alleen kunst kon zijn als het geïnspireerd was door het klassieke 'Italiaanse' ideaal. Zo valt op de voorgrond in een kruiwagen te bespeuren hoe klassieken uit de Engelse literatuur (onder andere Shakespeare) zijn voorbestemd tot afvalpapier terwijl de mensen op de achtergrond in de rij staan voor de opvoering van een opera. De levendigheid van zijn afbeeldingen, de rake karakterisering van de personages, de rijkdom aan details, dit alles deed hem uitstijgen boven zijn meer amateuristische vakgenoten. Ondanks dit vroege succes wilde hij echter meer en om sociaal geaccepteerd te worden moest hij zichzelf als schilder zien te bewijzen.

Allure

De Engelse schilderkunst blonk over het algemeen niet uit door originaliteit. De twee belangrijkste schilders die in dienst stonden van het koningshuis waren twee Vlaamse schilders geweest - Rubens en Van Dyck. De Engelse aristocratie was voornamelijk geïnteresseerd in portretten en oude meesters. De eerste Engelse schilder die zich enigszins met hun allure kon meten, was Sir James Thornhill. Diens overdadige barokke stijl sierde grote publieke ruimtes als de kathedraal van St.Paul's en Greenwich Naval College.

Hogarth besloot zich bij diens leerschool aan te sluiten. Even leek het erop dat hij zijn eigen glazen ingooide door er met diens dochter Jane vandoor te gaan en in 1729 in het geheim met haar te trouwen. Zijn schoonvader kon Hogarths brutaliteit vermoedelijk wel waarderen want een familiebreuk leverde het niet op.

Hogarth bevestigde inmiddels zijn naam als talentvol kunstenaar door zijn uitvoeringen van de zogeheten 'conversation pieces'. Dit was een van oorsprong Vlaams genre waarin een familie of vriendengroep geportretteerd werd terwijl men een favoriete activiteit beoefende. Deze schilderijen kenmerkten zich vooral door een informele sfeer. Hogarth kon zo zijn fantasie de vrije loop laten door onder het mom van respectabiliteit - een groepsportret - met visuele grapjes onderhuidse steken toe te brengen. De nieuwe stedelijke rijken, die in hun eigen strijd met de landelijke elite verwikkeld waren, konden deze inventiviteit wel waarderen.

Voor definitieve erkenning was hij echter aangewezen op een 'koninklijke' opdracht. Zijn kans leek te komen in het najaar van 1733 met het aanstaande huwelijk van prinses Anna met de prins van Oranje. Hogarth wist een opdracht los te peuteren van de koningin om de ceremonie op doek vast te leggen. Bij de intrede van de kapel waar het evenement plaats zou vinden werd hem echter de wacht aangezegd door William Kent en de Lord Chamberlain. Beiden hadden Hogarths prent uit 1724, waarin hun architectonische smaak belachelijk was gemaakt, nog niet vergeten. Als hofdienaren hadden zij voldoende invloed om Hogarth letterlijk de deur te wijzen en daarmee leek diens carrière in de knop te zijn gebroken.

Achter zijn gedrongen gestalte ging een strijdlustig en impulsief karakter schuil, en hij voelde goed aan wat het publiek wilde. Nu zijn kansen op een grote doorbraak als portretschilder teniet waren gedaan, verlegde Hogarth eenvoudigweg zijn loyaliteit. Tussen 1730 en 1732 werkte hij al aan een eigen project, de zogeheten 'modern moral subject'. A Harlott's Progress veroorzaakte een sensatie bij verschijning. Het leven in zes bedrijven van een onschuldig plattelandsmeisje dat ten onder gaat aan de verlokkingen van de grote stad, maakte hem in één klap tot de meest toonaangevende en originele Engelse kunstenaar. De serie was mede zo populair omdat hij er menig lopend schandaal in verwerkte in de vorm van allerlei herkenbare figuranten. De afbeeldingen zelf hadden ook letterlijk veel weg van scènes uit een theatervoorstelling, vol actie. Hogarth had definitief zijn roeping gevonden: in plaats van afhankelijk te zijn van de grillen van particuliere opdrachtgevers creëerde hij zijn eigen markt.

Binnen enkele jaren verscheen A Rake's Progress; ditmaal was de hoofdpersoon een jonge aristocraat die zijn erfenis erdoorheen jaagt op zoek naar status en uiteindelijk eindigt in het gekkenhuis. De serie prenten verscheen overigens niet dan nadat Hogarth in 1735 een ontwerp-wet bij het parlement had ingediend die aan graveurs voor het eerst het recht op copyright gaf. Deze erkenning van de uniciteit van hun ontwerpen was een van zijn vele uitingen dat het beroep van beeldend kunstenaar meer respect verdiende en niet langer diende te worden beschouwd als een 'mechanick Trade'.

Ondanks zijn successen voelde Hogarth zich zijn leven lang door het establishment niet serieus genomen. Toen in 1734 een commissie voor de decoratie van het trappenhuis van het ziekenhuis St Bartholomew's naar een Italiaan leek te gaan, bood Hogarth zijn gunsten gratis en voor niets aan. Het eindresultaat was zijn interpretatie van historieschilderkunst; dat viel niet in goede aarde bij de connaisseurs. In het schilderij viel te zien hoe, terwijl Christus iedereen genas die voor hem kwam, een van zijn helpers tegen betaling mensen toch laat voordringen. Hogarth bleek op deze wijze het achttiende-eeuwse Londen te hebben verplaatst naar wat volgens traditionele opvattingen een verheven religieuze afbeelding had moeten zijn.

Weeshuis

Eind jaren dertig, begin jaren veertig stond hij op het hoogtepunt van zijn roem. Behalve dat hij een hand had in de opleiding van aankomende schilders via de 'St Martin's Lane Academy' (het voortgezette schildersschooltje van zijn schoonvader), regelde hij tevens hun eerste openbare tentoonstellingsruimte: de Foundling Hospital. Dit was een particulier weeshuis, gesticht uit onvrede met de wijze waarop de overheid tot dan toe de armenzorg ter hand had genomen. Voor de eregalerij maakte Hogarth een briljant portret van de oprichter, Captain Thomas Coram. Hogarth wilde hiermee het publiek laten zien dat een staatsieportret niet alleen voorbehouden was aan mensen van koninklijk bloed maar dat een selfmade man minstens even geschikt was als onderwerp.

Vanaf het eind van de jaren veertig werd de toon van zijn werk somberder. Hogarth had altijd gewezen op de moraal maar betwijfeld kan worden in hoeverre zijn publiek de levenslessen werkelijk ter harte nam. Gin Lane uit 1751 is een horrorscenario van dood en verderf. De Election Series van een paar jaar later laat zien hoe zowel de Whigs als de Tories uit eigenbelang de natie verkwanselen en er voor de kiezers eigenlijk niets te kiezen viel. Hogarth bleef daarmee radicaal in zijn opvattingen, maar de stemming in het land was inmiddels omgeslagen. Het publiek wenste niet langer herinnerd te worden aan de schaduwkanten van het bestaan maar wilde delen in een nieuw elan, geïnspireerd door de militaire successen tegen Frankrijk.

In een laatste poging zijn critici de mond te snoeren publiceerde Hogarth in 1753 het boek de Analysis of Beauty. Hierin probeerde hij als autodidact zijn eigen kunsttheorie te ontvouwen waarin de curve van de S-lijn centraal stond. Het boek ging vooral over de beschouwing van kunst en hoe de vorm bepalend was voor de schoonheid ervan. Met name zijn collega-kunstenaars keerden zich nu openlijk tegen hem wegens zijn hoogdravendheid. Hogarth werd zelf het onderwerp van spot en de (politieke) conflicten waarin hij verwikkeld raakte, maakten van hem in zijn laatste levensjaren een ziekelijk man.

Zijn dood in 1764 betekende zeker niet het einde van zijn invloed. Alle verdere ontwikkelingen in de Engelse kunst zijn schatplichtig aan deze visionair die zo gestreden had voor de onafhankelijkheid van de kunstenaar. Zelf schreef hij dat 'my Picture was my Stage and men and women my actors'. Hij kon niet aan het stigma ontkomen een 'comedy Painter' te zijn geweest. Zijn helden waren geen goden maar gewone stervelingen. Uglow heeft met haar doorwrochte biografie een monumentaal boek over een antiheld geschreven.