Roman van Denis Johnson; Nietzsche op weg naar nergens

Denis Johnson: Already Dead. A California Gothic. HarperCollins, 435 blz. ƒ 60,75

Nelson Fairchild Jr: 'Je wil iets verstandigs gaan doen en voordat je het weet dreig je de burgemeester te vermoorden of neem je gijzelaars in een supermarkt.'

Nelson Fairchild Jr. is een man die het weten kan. Zijn vader is een bloedzuigende potentaat, een doodzieke maar nog altijd even tirannieke grootgrondbezitter in Noord-Californië, zijn bijna ex-vrouw Winona dreigt in plaats van hijzelf de felbegeerde erfenis op te strijken, zijn dwaze minnares is hem al snel weer ontrouw geworden. Hij wordt achtervolgd door mannen die op zijn bloed uit zijn. Fairchild, een vertwijfelde gelegenheidsfilosoof, besluit noodgedwongen het leven naar zijn hand te zetten - en de gevolgen zijn niet te overzien.

'A California Gothic' noemt Denis Johnson Already Dead, zijn nieuwe roman. Dan weet je wat je kunt verwachten: grotesk uitgerekte personages, diabolische complotten, verwrongen emoties, een verhaal vol angst en bloed. Al voor de roman goed en wel begonnen is, heeft Fairchild zich hopeloos in de nesten gewerkt. Tijdens een reis met zijn vrouw naar Italië heeft hij, overmand door zenuwen, op het vliegveld een grote partij cocaïne door de wc gespoeld. Zijn opdrachtgever is het wachten op zijn geld beu en heeft twee vrolijk psychotische huurmoordenaars op hem afgestuurd. Fairchild heeft het zielsbenauwd, maar hij ziet ook een kans zich eindelijk uit de wurgende greep van zijn doodzieke vader te bevrijden, de vader bij wie hij het nooit goed kon doen ('Why do you fate me to fail you?').

Dit gelikte scenario vormt de opmaat voor een groter, existentieel drama. Fairchild wil zijn als de Japanse samoerai, die zich in de strijd werpen nadat ze zichzelf hebben ingeprent dat ze eigenlijk al dood zijn, zodat angst en twijfel kunnen worden uitgeschakeld. Alleen zo kun je het leven bij zijn nekvel grijpen. Diezelfde geesteshouding ontdekt hij in de schimmige persoon van Van Ness, een zelfmoordenaar die hij net op tijd uit de vijver van zijn huis vist. Voor wat hoort wat: hij vraagt Van Ness zijn vrouw te vermoorden, zodat de familie-erfenis toch naar hem gaat.

Van Ness is het zwarte gat van deze roman. Hij is een samoerai uit noodzaak. Hij draagt een dodelijke ziekte in zijn lichaam en daarom heeft hij verleden en toekomst afgezworen. Er is alleen nog het moment, Van Ness is voorbij goed en kwaad aan iedere impuls kan worden toegegeven. Zijn binnenwereld blijft onzichtbaar, omdat die domweg niet langer meer bestaat. Zo wordt hij het leven de baas.

Zoals deze Nietzscheaan wil Fairchild zijn. In Already Dead presenteert Denis Johnson, een van de talentvolste Amerikaanse schrijvers van dit moment, zijn hoofdpersoon de rekening voor zijn almachtfantasie. De kwade machten die hij heeft opgeroepen, keren zich onherroepelijk tegen hem. Fairchild blijkt niet 'al gestorven' als een samoerai, maar domweg ten dode opgeschreven. Daarin staat hij niet alleen: alle personages om hem heen - de schizofrene oorlogsveteraan, het orakelende medium, de gedesillusioneerde politieman - leven in een aanhoudende staat van ontgoocheling. Ze klampen zich vast aan paranormale openbaringen of aan Jezus, of ze luisteren aandachtig naar de stemmen in hun hoofd, maar ze zijn er niet minder verloren om.

In een kort nawoord erkent Johnson ruiterlijk dat hij de intrige van zijn roman heeft ontleend aan het werk van een bevriend schrijver. Die is even eenvoudig als geraffineerd, maar Johnson weet hem in te bedden in een decor dat helemaal van hemzelf is: het ruige, onwezenlijke landschap van Noord-Californië, opgeroepen in beeldende, hallucinerende beschrijvingen. Het laat een sterkere indruk achter dan de emotionele beslommeringen van de vele nevenpersonages die Fairchilds pad kruisen. Johnson is een opwindend stilist, zijn woorden knisperen en vonken, zijn kunstig gedraaide zinnen staan stuk voor stuk onder stroom, zelfs in wat zijn dikste roman tot nu toe is. Dat is de kracht van Already Dead, maar ook de grootste zwakte: soms raakt de schrijver voelbaar verliefd op zijn woordkunst en dan wordt zijn stijl het enige belangrijke personage in zijn roman.

Johnson schrijft in de breedte, met een vaak ontzagwekkend aplomb. Zijn geleende verhaal is eigenlijk niet veel meer dan een aanleiding voor een aaneenschakeling van scènes voor verloren figuren in een afstandelijk landschap. Die scènes overschaduwen uiteindelijk de personages, die heel wat minder spankracht blijken te bezitten dan de zinnen waarmee ze tot leven worden geroepen. Dat doet er toe, maar ook weer niet teveel; wat in je hoofd achterblijft is de sfeer van gelaten verlatenheid waarvan die scènes doortrokken zijn, vol korte, soms fatale ontmoetingen van mensen die op weg zijn naar God mag weten waarnaartoe, hun ziel krampachtig onder hun arm geklemd, aan elkaar snuffelend en likkend als honden. Ze worden omringd door iets waarop ze geen greep kunnen krijgen, iets waarvan ze instinctief voelen dat het veel groter is dan henzelf. Geen wonder dat Nelson Fairchild, die zich tot hun aller alter ego ontpopt, aan het einde spoorloos opgaat in dat grote niets.