Prettig gestoord

De dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam heeft onder de titel Hub Amsterdam een brochure gepubliceerd waarin de ontwikkeling van de hoofdstad in de volgende dertig jaar wordt geschetst, volgens de wensen en verwachtingen van deze dienst. Met hub wordt over het algemeen een luchthaven bedoeld die het centrum is van veel belangrijke internationale verbindingen; een wereldkruispunt.

Hub Amsterdam is dus een optimistisch boekje, of zelfs meer dan dat: de aanzet tot een manifest, dat alleen daarom al de moeite van het lezen waard is. De stijl is niet die van een dienst. Het proza is door een menselijke, montere hand geschreven. De naam van de auteur heb ik niet kunnen vinden. Er wordt alleen melding gemaakt van een wethouder die droomt 'aan de voet van die mooie Wester.' Volgens mij is het 'die ouwe wester', maar in ieder geval is de auteur dus de Wethouder.

Op pagina 6 beschrijft hij Amsterdam als 'een kleine, prettig gestoorde metropool'. Dat lees je tegenwoordig weer meer, dat iets of iemand 'prettig gestoord' is. Van Dale geeft hier geen toelichting, niet bij storen, noch bij prettig, zodat ik hier mijn eigen wetenschap dienaangaande opschrijf. De combinatie is, voorzover ik weet, een schepping van Max Reneman, beeldend kunstenaar en tandarts. Tegen het einde van de jaren zestig heeft hij, samen met Theo Kley, ook kunstenaar, sprekend met zuidelijk accent, in Amsterdam de Insecten Secte opgericht, en de Stichting Openbaar Kunstgebit. Max Reneman was een eigenzinnig mens met een vrolijk, scherp gezicht. Het gerucht ging dat iemand die patiënt bij hem was, meer pijn leed dan hij (of zij vanzelfsprekend) bij de meeste tandartsen zou hebben doorstaan. Het symbool van de Insecten Secte was een vlinder met lange sprieten. De Secte heeft exposities gehad in het Stedelijk Museum. Max Reneman is bij een vliegtuigongeluk om het leven gekomen.

Binnen de sfeer van de Secte bestonden ook een orkest en een koor: het Resistentie Orkest en het Koor der Prettig Gestoorde Vrouwen. Dit werd gedirigeerd door Huub Matthijsse, die ook prachtig viool kon spelen. Behalve een gewone viool had hij een violophoon of Horngeige, een instrument dat er in grote trekken uitziet als een gewone viool, maar waarbij op de klankkast een hoorn is aangebracht. Het maakt een geluid als van een viool via een hoorn. Als je het voor het eerst hoort, zonder te weten uit wat voor instrument het komt, kun je het niet thuisbrengen. Je kunt alleen zeggen dat het 'van vroeger' is, bijvoorbeeld van voor de Eerste Wereldoorlog. Wat er ook op wordt gespeeld, het klinkt peilloos melancholiek. Op mijn geheugen afgaand, zou ik zeggen dat het de gebarsten klanken van een voorbije vredigheid heeft. Vaak had Huub Matthijsse zijn Horngeige bij zich. Op een mooie zomerse zaterdagochtend bracht hij weleens het een en ander ten gehore. Ik kon er niet genoeg van krijgen.

Achteraf bezien hoort dit alles tot de zachtaardig-poëtische afdeling van de jaren zestig; ook dus het prettig gestoord zijn. Intussen zijn we dertig jaar verder. Ik las Hub Amsterdam, vaak met instemming, een enkele keer onder protest. Dat geldt 'de kleine, prettig gestoorde metropool'. Dat zijn in vier woorden samen vier onverenigbare grootheden.

Een metropool kan desnoods nog klein zijn, of een kleine stad kan zich een metropool vinden. Iedere metropool wankelt altijd op de rand van nog handelbaar en 'gestoord' zijn. En 'prettig gestoord'? Nee. De metropool is ongeduldig, hard en onvriendelijk. De metropool snauwt, heeft haast, luistert niet. De metropool is een massa die niets met de bezoeker te maken heeft. De metropool is een doolhof waarin iedereen blindelings de weg weet behalve de vreemdeling. De metropool komt tevoorschijn, van het ene ogenblik op het andere als een overmaat, een teveel. De metropool overweldigt. De metropool is arrogant. Dat alles hoort tot de metropolen die ik ken. Misschien heeft Amsterdam er ook iets van. Maar niets van wat in de tijd van de Insecten Secte en het vrouwenkoor prettig gestoord heette.

Gestoord, maar niet prettig zijn nu de Dam, de Wallen waar de pooiers heersen en het niemandsland daartussen waar de kampioenen der onprettigheid je onprettige middelen proberen te verkopen, en waar je in de winkels onprettige bij de wet verboden knuppels en steekwapens kunt kopen. Dat is de onprettige kant van de hub. Die heeft de Wethouder onder de ouwe Wester natuurlijk niet bedoeld. Afgezien van het prettig gestoorde vind ik zijn droom overigens mooi genoeg om geen bedrog te worden.