Politieke theorie in de polder; Nederland Quangoland

Frits Bolkestein, Ernst Hirsch Ballin & Thijs Wöltgens: Poldergeest. Prometheus, 146 blz. ƒ 29,90

Jan Willem Duyvendak: Waar blijft de politiek? Essays over paarse politiek, maatschappelijk middenveld en sociale cohesie. Boom, 160 blz. ƒ 31,-

John Gray: Endgames. Questions in late modern political thought. Polity Press, 212 blz. ƒ 59,35

Jelle Visser & Anton Hemerijck: 'A dutch miracle'. Job growth, welfare reform and corporatism in the Netherlands. Amsterdam University Press, 206 blz. ƒ 39,50

Sinds premier Kok afgelopen lente van president Clinton aan hem en de andere giganten van de G7 in Denver college mocht geven over de wederopstanding van de Nederlandse economie, hebben we er weer een bedevaartsoord bij: Wassenaar. Daar kunnen we nu onze kaarsjes branden voor onze eigentijdse Hansjes Brinkers die het laagland zo aardig droog hebben gekregen. Kortom, voor de sociale partners die het in 1982 te Wassenaar op een akkoordje gooiden en daarvoor nu winst én banen terugkrijgen.

Ogenschijnlijk is er voor dit 'Hollandse wonder' geen revolutie nodig geweest. Trouw aan de ingetogen 'volksgeest' onderging het electoraat in de polder bijna twintig jaar lijdzaam een saneringsklimaat dat uiteindelijk een heus 'poldermodel' bleek te zijn. Het duurde hooguit even voordat de fenix van 1982 zich openbaarde. Maar toen bleek het 'zieke' Nederland na een langdurig ziekbed gezonder dan ooit, zo fit dat het Arbeidsbureau zich sinds deze week geen zorgen meer maakt over de jeugd.

Zelfs het meest omstreden aspect van onze consensus - de arbeidstijdverkorting en deeltijd die, met een verwijzing naar de 'Aziatische tijgers' lang als weekhartig belachelijk waren gemaakt - begon zijn vruchten af te werpen. Of dat nog niet genoeg was, openbaarde zich in de polder zelfs een tweede mirakel: de overwinning van het feminisme. In een paar decennia wist het zijn historische achterstand radicaal om te buigen. Een kwart eeuw geleden werkte slechts 29 procent der vrouwen, op Ierland na zo ongeveer de laagste participatie in de ontwikkelde wereld. Nu verricht 60 procent arbeid, een percentage dat alleen nog door Amerika, Engeland en Scandinavië wordt overtroffen.

Corporatisme

Geen geringe veranderingen. Maar is het een concept of een wonder? In hun boek A Dutch miracle vermijden de sociologen Jelle Visser en Anton Hemerijck het begrip 'poldermodel' zorgvuldig. Volgens hen ligt er namelijk geen 'grand design' of 'deugd' ten grondslag aan het wonder, maar 'geluk'. En een crisis, die noopte tot hervormingen. 'Dat dit mogelijk is geweest in Nederland is opmerkelijk, omdat de Nederlandse welvaartsstaat een specimen is van een Bismarckiaanse, continentale en daarom ouderwetse welvaartsstaat van kostwinners - de moeilijkste van allemaal om te veranderen'.

De sleutel voor dit succes ligt volgens Visser en Hemerijck in het 'corporatistische' karakter van de Nederlandse staat. Wat in de jaren na de culturele ontzuiling een sta-in-de-weg was, bleek plots een hervormingsinstrument. Juist door de corporatistische verwevenheid van alle institutionele belangengroepen, zoals vakbonden en werkgevers, kon de sanering zich uitkristalliseren zonder dat de oppositie een serieuze spaak in de wielen stak. 'In het domein van de sociale zekerheid was de staat, en niet de vakbeweging, de lerende organisatie', aldus Visser en Hemerijck. 'Maar corporatisme is geen passe-partout'. Het kan ook makkelijk tot 'politieke impasses' leiden, waarschuwen ze.

De politicoloog Jan Willem Duyvendak baseert zich op een vergelijkbare analyse. In zijn essaybundel Waar blijft de politiek? schetst hij fraai de voordelen van de niet-gepolitiseerde en niet-gecentraliseerde staat die Nederland is. Hier loont het om maatschappelijk actief te zijn. Het ontzuilde middenveld, tegenwoordig bevolkt door tal van belangengroepen (zoals homoseksuelen of etnische minderheden) en ideologische organisaties (zoals de milieubeweging), absorbeert de onvrede effectiever dan bijvoorbeeld in Frankrijk. De grandeur van dat land schijnt politiek. Maar de maatschappelijke participatie staat er op een lager pitje dan in Nederland. Met als gevolg dat de burgers er alleen hun onvrede kunnen uiten als ze al tot op het bot gefrustreerd zijn: via stakingen, blokkades en geweld. 'Een politiek van consultatie, compromis en consensus mag dan weinig dynamisch ogen, in de praktijk staat ze wel garant voor modernisering en voorkomt ze tweedeling en uitsluiting', aldus Duyvendak.

Genoeg reden dus om in de leunstoel plaats te nemen met een goed glas cognac en het chequeboek voor de broodnodige solidariteit. Of toch maar niet. Als een 'wonder' tot 'model' wordt, wordt het geloof immers een kerk en dus een institutie die meer te verliezen heeft dan te winnen.

Hoe nu verder, is de vraag die zich, met verkiezingen in aantocht, dan ook aandient. Drie subvragen dringen zich daarbij op. Ten eerste: Hoe zal het de polderdemocratie vergaan als de materiële vooruitgang stagneert of zelfs terugloopt? Leggen de burgers, die minder hebben geprofiteerd maar wel mogen stemmen, zich dan ook nog neer bij de consensus?

Ten tweede: Hoe democratisch blijven we als onze homogeniteit onder druk komt te staan? Dat wil zeggen: wat is de invloed van het multi-etnische karakter dat de Nederlandse samenleving heeft gekregen?

En ten slotte: Kan Nederland wel democratisch blijven als het zijn soevereiniteit terwille van de Europese eenwording bij stukjes en beetjes moet opgeven? Tot nu toe waren onze staat en ons staatsbestel immers naadloos verbonden?

Witte raven

Op uitnodiging van publicist Paul Scheffer hebben drie politici daarover hun licht laten schijnen in het deze week verschenen Poldergeest: VVD-leider Frits Bolkestein, CDA-senator Ernst Hirsch Ballin en diens PvdA-collega Thijs Wöltgens. Dit trio is niet geheel gelijkwaardig. Bolkestein is een politicus in de frontlinie, de andere twee opereren meer uit de tweede lijn. Het is daarom niet helemaal eerlijk om hun opstellen één-op-één met elkaar te vergelijken. Eén ding is desondanks zeker: als er op het toch al mager bezette Nederlandse politiek-intellectuele toneel al spektakel is, dan moet dat in eerste instantie van Bolkestein, Hirsch Ballin en Wöltgens komen. Zij zijn de witte raven in de corporatistische polder.

Maar hoe hen te beoordelen?

Als alleen stijl ertoe zou doen, is helder wiens essay het meest overtuigend is: dat van Wöltgens. Zijn register is gevarieerder dan dat van Bolkestein en Hirsch Ballin. 'De polder is gans het volk. (...) Het Nederlands kapitalisme heeft zich door ethische remmingen (de zevende dag eist nu eenmaal zijn tol) en risicomijdende berekening nooit thuis gevoeld in het darwinisme van een cut throat competition. Suïcidale heldhaftigheid is ons vreemd - ik ben ervan overtuigd dat Van Speyk meer verbazing dan bewondering heeft geoogst - maar overleg en appeasement zitten ons in het bloed', aldus Wöltgens. De anderen zijn stilistisch banger aangelegd. Hun opstellen zijn schools en niet om te lachen.

Als het intellectuele zelfvertrouwen aan de orde is, is Bolkestein het meest en Hirsch Ballin het minst stabiel. De laatste weet dat en heeft daarvoor een overtuigende verklaring. Het CDA heeft zijn middenpositie volgens hem niet verloren omdat kortstondig partijleider Brinkman zich met de AOW vergaloppeerde, maar omdat het einde van de Koude Oorlog een einde maakte aan de links-rechts-tegenstelling. Toen de druk van de ketel was, zag de kiezer het nut van een sterk politiek centrum niet meer in. Bolkestein daarentegen blaakt van zelfrespect. Hij voelt de wind van de (neo)liberale golf nog steeds behaaglijk in de rug. We moeten voort. Omkijken is voor de dommen. 'Het Rijnlandse model [waarvan het poldermodel een variant is, HS] sust ons in slaap waar wij klaarwakker moeten zijn. (...) De prestatiemaatschapij rukt weer op', aldus Bolkestein.

Gaat het om de politieke posities van het trio, dan staat Bolkestein eenzaam op de flank. Beseffen Hirsch Ballin en Wöltgens dat de parlementaire democratie geen eeuwig gegeven is, Bolkestein definieert de drie vragen van Scheffer als 'leading questions' waarop een simpel 'ja' afdoende is. Dat heeft te maken met ideologie. Ook overtuigde kapitalisten bouwen hun bestel immers op een ideologische fundament, weten we sinds Adam Smith ergens op de weg naar de vooruitgang een 'onzichtbare hand' zag.

Als conservatief-liberaal is Bolkestein een geharnast tegenstander van directe democratie, zoals vertolkt door de aanhangers van het referendum, en een hartstochtelijk pleitbezorger van professionele politiek als kristallisatiepunt van het algemeen belang. De kloof tussen de burger en de politiek is hem eerder te klein dan te groot. Als radicaal-liberaal wil hij het corporatisme verder afbreken. Niet zozeer omdat hij de burgers hun eigen clubjes wil afnemen, maar omdat vrijwillige banden volgens hem sterker zijn dan opgelegde. 'Protectie ondermijnt de maatschappelijke dynamiek', aldus Bolkestein.

Altijd? Nee, niet altijd. Tegen de migratie van mensen is, anders dan tegen de migratie van geld, wèl een verdedigingslinie geboden.

Consequent doorgeredeneerd is dit pleidooi voor protectie van de arbeid en vrijheid voor het kapitaal een tegenstelling. Bolkestein heeft daar echter geen last van, getuige zijn eigen samenvatting van deze twee zielen in zijn borst: 'economische progressiviteit en een zeker cultureel conservatisme'.

Hirsch Ballin en Wöltgens zijn minder optimistisch over de heilzame werking van dit vooruitgangsgeloof. Bij Hirsch Ballin is dat begrijpelijk. Zijn rijk is immers geen rijk van menselijke vrijheid maar ligt aan gene zijde. 'Dat het bestuur door verkiezingen wordt gelegitimeerd is belangrijk, maar niet het enige', aldus Hirsch Ballin. De maakbare samenleving is volgens hem weliswaar een 'moeilijk weerstaanbare verleiding', maar 'is in feite een verborgen ideologie, die de blik vernauwt. (...) De techniek mag niet een zo machtige knecht worden dat ze ons tenslotte de baas is'.

Hoewel Wöltgens als sociaal-democraat niet zo eenvoudig afstand kan nemen van de Verlichting en haar vooruitgangsgeloof, wil ook hij niet al zijn geld zetten op de homo economicus als nieuwe variant van de aloude 'nieuwe mens'. Darwinistisch economisme leidt volgens hem namelijk tot het ontstaan van een klasse die enigszins herinnert aan de negentiende eeuw: die van de 'working poor'. Tegelijkertijd moet hij erkennen dat de 'onmacht van de nationale staat de onmacht van de sociaal-democratie dreigt te worden'.

Wöltgens opteert daarom voor een Europees continent dat zich niet laat opslorpen door de mondiale ratrace om hogere productiviteit en lagere lonen. Sterker, hij ziet wel wat in een herwaardering van een nieuw soort 'Kleinstaaterei', waarbij de verschillende gemeenschappen hun eigen en elkaars identiteit erkennen. Het nieuwe Europa zou weleens meer op het middeleeuwse Europa kunnen lijken dan op de Verenigde Staten. 'Een krachtige keizer in Brussel [die belastingafdracht en militaire dienstplicht regelt, HS] en een bonte deken van oude en nog oudere identiteiten. (...) Het oude continent zou de wereld nog een keer moeten verrassen na de wereldwijde verspreiding van het kapitalisme en van het vooruitgangsgeloof. En laten de anderen maar spotten over eurosclerose of het grootste openluchtmuseum, zolang het er maar goed toeven is.'

Bolkestein gruwt van dit soort, al dan niet religieus geïnspireerde, 'communitarisme'. Hoewel hij de 'schaduwzijden van verregaande individualisering' onderkent, kan hij 'de opvatting dat men alleen door een deelname aan de publieke besluitvorming 'waarlijk mens' wordt [een verwijzing naar The human condition van Hannah Arendt] moeilijk ernstig' nemen, omdat de mens een 'vrijwel oneindig aantal andere wegen' kan bewandelen om zich te ontplooien. Het 'republikanisme', zoals hij het noemt, is niets anders dan het democratisch radicalisme van de jaren zestig in een nieuw 'modieus' jasje.

Deze lineaire redenering staat haaks op het perspectief dat de Britse politicoloog John Gray presenteert in zijn recente boek Endgames. Gray, 'fellow' van het Jesus College in Oxford, is een van de belangrijkste politieke filosofen van dit moment. Al in oktober 1993, nog voordat Tony Blair partijleider van Labour werd, voorspelde Gray dat de Tories zich moesten opmaken voor een generatie in de oppositie.

Die profetie was geen 'wishful thinking' - Gray was geen aanhanger van Labour - maar gebaseerd op het revolutionaire programma van Thatchers partij. Hoe zinvol het eind jaren zeventig ook was om de Britse maatschappij open te breken en te ontdoen van haar syndicalistische corporatisme, Thatcher nam in haar dadendrang veel meer onder handen dan alleen de bonden, aldus Gray. Ze ondermijnde met haar neo-liberale geloofsovertuiging ook de traditionele en lokale politieke cultuur van Engeland en daarmee haar eigen partij. Toen opvolger Major dat doorzag en op de proppen kwam met zijn 'back to basics' was het te laat. De van oudsher provinciale cultuur van de Tories was 'kitsch' geworden, hetgeen zich onder meer uitte in het verlies van nagenoeg alle belangrijke lokale besturen. Het oude United Kingdom, een triangelmaatschappij (van regeringspartij, werkgevers en bonden), was een Quangostate geworden: een staat waarin 'quasi non-gouvernementele organisaties', quango's als de National Health Service en honderden andere semi-overheidsdiensten, de macht hadden overgenomen.

Nomenklatoera

In die Quangostaat lijken de markt en dus de consument te regeren. Maar dat is schijn. De besturen van de quango's worden namelijk gevormd door centraal benoemde lieden die hun functies niet te danken hebben aan een mandaat van de bevolking maar aan een succesvol netwerk. Ze zijn de 'nomenklatoera' van het nieuwe 'marktcorporatisme'.

Gray is geen liberaal die er vanuit gaat dat het individuele belang per saldo uiteindelijk ook het algemeen belang dient. Maar hij legt overtuigend uit waarom, na het socialisme, nu ook het neo-liberalisme op zijn einde loopt. Beide ideologieën hebben universele pretenties. Beider 'rechtvaardigheidsideaal' negeert de lokale culturele context en is dus hoogmoedig. 'Deze hubris heeft nu alle hoeken van de aarde bereikt. Het humanisme heeft tot doel alle menselijke samenlevingen naar een monocultuur van Westerse moderniteit te modelleren'.

Eerst liep het socialisme in zijn eigen mes. Thans is het liberalisme aan de beurt. Het idee dat de markt op zichzelf de menselijke autonomie bevordert, is voodoo. Gray: 'Een maatschappij waarin de vrije markt elke andere sociale institutie domineert, kan de menselijke behoefte aan een thuis en deelname aan veiligheid en continuïteit niet bevredigen. (...) De sociale backlash tegen de vrije markt in zijn globale vorm is vermoedelijk net zo machtig als die tegen de laissez-faire in het laat-negentiende eeuwse Engeland'. Al was het maar omdat de staat na de Koude Oorlog welhaast openlijk zijn klassieke monopolie op geweld heeft verloren. En heus niet alleen in de Sovjet-Unie en Joegoslavië. 'In het kielzog van de grote rijken is een groot deel van de wereld teruggevallen in een premoderne vorm van anarchie, waarbij de instituties van de staat afwezig zijn'.

Interregnum

De politieke theorie is daarop het antwoord schuldig. 'We bevinden ons in een onrustig intellectueel interregnum', concludeert Gray. Als dat al geen reden is voor paniek, dan toch op z'n minst voor een beetje aandacht. Zeker van non-conformistische politici als Bolkestein, Hirsch Ballin en Wöltgens. Maar helaas, ook zij zien weinig nieuws onder de zon. Van het openbaar bestuur, de executieve taak van de staat bij uitstek, liggen ze niet de hele nacht wakker.

Toch is ook Nederland hard op weg Quangoland te worden, zij het dat op de lading (marktcorporatisme) een andere vlag (poldermodel) wappert, en de quango's hier vaak ZBO (zelfstandige bestuursorganisatie) of verzelfstandigd staatsbedrijf heten. Het CBR voor de rijbewijzen, de IND voor de visa, de Informatiebeheergroep voor de studiebeurzen, de gevangenissen voor het opsluiten, de NS voor de mobiliteit, het NUON voor elektra en van alles en nog wat: het zijn maar een paar voorbeelden van het nieuwe 'marktcorporatisme'. Zelfs de belastingdienst (samen met openbaar ministerie en krijgsmacht het hart van de staat) gedraagt zich bijna autonoom, getuige de campagne 'leuker kunnen we het niet maken, makkelijker wel'.

In Nederland-Quangoland heeft zich het afgelopen decennium een subtiele oligarchie van privaat ondernemerschap en staatsbureaucratie kunnen ontwikkelen, een trend die nog eens is aangemoedigd door de theorie dat de 'ondernemende ambtenaar' de toekomst heeft. De dienaar van de Quangostaat met 'netwerken', dient een dramaturg te zijn die de verschillende acteurs in de samenleving kan aanmoedigen en 'regisseren'. Max Weber, de vader van de moderne bureaucratie, is in Nederland morsdood, net als elders. Zijn theorie is alleen nog toepasbaar op een strikt gestratificeerde massademocratie - op een hiërarchische piramide - niet op een cliëntenmaatschappij waar homogene eilanden zichzelf besturen.

Was het vroeger dan anders? Ja. Toen Nederland een verzuilde natie was, was het corporatisme intern weliswaar een gesloten beerput maar extern pluriform. Het moest dus concurreren en compromissen sluiten. Nu Nederland een netwerk-maatschappij is geworden - en de homo economicus bij gebleken succes het gelijk aan zijn zijde weet - mag de deksel soms gelicht worden, de verscheidenheid is ondertussen eerder af- dan toegenomen. Monopolisme is het gevolg, machtsmisbruik nog slechts een kwestie van tijd. De staat probeert nog manmoedig een paar instituties met 'countervailing powers' overeind te houden, maar weet niet op welke gemeenschappelijke moraal ze gefundeerd zijn.

Het 'paarse poldermodel' heeft zich daarmee een naar Nederlandse maatstaven ongekende normatieve dimensie op de hals gehaald. Het intellectuele interregnum roept om een nieuwe koning.