Polgar omklemt kwelduivel Anand en laat niet meer los

WIJK AAN ZEE, 23 JAN. De avond voor de zesde ronde van het Hoogovens Schaaktoernooi sprak Judit Polgar haar verwondering uit over de gezapigheid die sommige schakers overviel als ze eenmaal tot de wereldtop waren doorgedrongen. Ze wilden alleen nog maar hun positie verdedigen en durfden nauwelijks nog risico te nemen.

Wat de Hongaarse eigenlijk wilde zeggen, was dat ze zo blij was dat ze die angstvalligheid zelf kwijt was. Een periode waarin ze schaken voornamelijk als werk had gezien lag achter haar. Ze had haar openingen ververst en had weer plezier in het spel.

Polgar deed haar bekentenis woensdagavond terwijl ze zat te kijken hoe Anand de verdediging van Topalov uiteenreet. Het aanvalsgeweld van de Indiër maakte haar balorig. “Anand zal het morgen heel wat lastiger krijgen, want dan moet hij tegen mij.”

Dat was natuurlijk als een grapje bedoeld, maar wie Polgar een dag later aan het bord zag zitten, hoefde zich niet af te vragen hoe groot haar wil om te winnen was. Zeker tegen een kwelduivel als Anand. Bijna zeven jaar was het geleden dat ze voor het laatst van hem won.

Met de handen diep in het kastanjebruine haar begraven en de voeten achter de poten van haar stoel geklemd, boorde Polgar zich in de stelling. De opening van Anand had haar verbaasd en nu had ze hem in een stevige omklemming. Dit ging ze niet loslaten en ze liet niet los. Na 58 zetten was het punt van haar en legde ze in de perskamer met harverwarmende vreugde meer dan eens uit hoe belangrijk deze overwinning voor haar was.

Vladimir Kramnik kwam dankzij de nederlaag van Anand terug aan de leiding, zonder dat hij daar veel blijer van werd. De jonge Rus voelde zich moe en klaagde dat hij in zijn partij moeite had gehad met rekenen. Voor een deel was dat de verdienste van Jan Timman, die Kramniks plannen met een goed gekozen verdediging ontregelde. Maar ook verderop in de partij, toen hij er alsnog in was geslaagd wat spel van de grond te krijgen, miste Kramnik een vaste hand. “Ik liet zonder reden mijn goede loper afruilen. Als je zoiets niet ziet, weet je dat er iets mis is.”

Timman droeg met deze nuttige remise bij aan de grote tevredenheid die de Nederlandse grootmeesters op de zesde speeldag losmaakten met hun verrichtingen. Om te beginnen profiteerde Jeroen Piket van de te strak aangespannen revanchegedachten van Veselin Topalov. Vanaf de eerste zetten gaf de Bulgaar aan dat hij graag wilde bewijzen dat hij in Groningen nooit door Piket uitgeschakeld had mogen worden. Fel wierp hij zijn pionnen naar voren en ging op zoek naar de witte koning. Piket besefte maar al te goed dat hij op moest passen en zorgde voor een sluitende verdediging. Maar Topalov was een aanval begonnen waar geen rem meer op zat. Hij versmaadde een remise door zetherhaling, zadelde zichzelf op met een positionele ruïne en mocht vervolgens toekijken hoe Piket de beslissende klappen uitdeelde.

Weinig later was ook de tweede Nederlandse overwinning op een buitenlander een feit. Paul van der Sterren bereikte een licht voordeel tegen de winnaar van vorig jaar, Valeri Salov, en bouwde dat met rustige hand uit tot winnende proporties.

De remises die Nijboer en Van Wely lieten aantekenen zorgden ook al voor instemmend geknik. Nijboer speelde een boeiende remise tegen Sjirov zonder dat hij ook maar een ogenblik in tijdnood kwam. Loek van Wely kwam met zwart geen moment in gevaar tegen Anatoli Karpov. De Brabander wierp twee wapens in de strijd. Uitdagend deed hij dezelfde das om die hij anderhalf jaar geleden droeg toen hij Karpov in Tilburg versloeg. Het dessin van dollarbiljetten leek hem een mooie verwijzing naar het hoge startgeld van Karpov. Vervolgens deed hij iets waar maar weinig schakers waardering voor hebben: hij speelde een variant die Karpov zelf ook precies zo speelt. Niet voor niets, zoals de vlotte remise duidelijk maakte.