Paul Valéry: La crise de l'esprit, 1919

Van dichters mag je formuleringen verwachten die zich vasthechten in het geheugen. De dichter Paul Valéry (1871-1945) begint zijn La crise de l'esprit uit 1919 met zo'n klassiek geworden formulering: 'Wij beschavingen weten nu dat we sterfelijk zijn'.

De Eerste Wereldoorlog verschafte hem deze kennis. Op schokkende wijze had de Europese beschaving getoond dat al haar verworvenheden ook konden worden aangewend om de beschaving te vernietigen. Van een 'ongeluk' was geen sprake, want juist het goede (wetenschap, techniek, discipline, plichtsbesef, rationaliteit) had in de oorlog tot het kwade geleid. 'Zoveel verschrikkingen waren niet mogelijk geweest zonder zoveel deugden', schrijft Valéry. De omvang van de catastrofe stond in direct verband met de Vooruitgang, waaraan de burgers van de Belle Epoque hun trots en zelfvertrouwen hadden ontleend.

Sindsdien herkende Europa zichzelf niet meer. De wereldoorlog luidde een 'crisis' in die nog lang niet voorbij was. Valéry schrijft over een 'Europese Hamlet', die miljoenen 'spoken' ziet en nu aarzelt tussen twee 'afgronden': orde en wanorde. De wanorde bestaat uit de tegenstrijdigheden van de moderne geest; de orde dreigt, zodra de beschaving haar geestelijke preoccupaties voorgoed opzij zou schuiven om plaats te maken voor 'het wonder van een dierlijke maatschappij, een volmaakte en definitieve mierenhoop'.

Beide 'afgronden' ogen even onaantrekkelijk. Maar zolang de crisis voortduurt, staat niet vast welke van de twee werkelijkheid zal worden. En de scepticus Valéry weigert vooralsnog te beslissen. Hij is geen ondergangsprofeet, maar geeft er de voorkeur aan op gepaste afstand het moderne gewemel gade te slaan. Zijn voornaamste belangstelling gaat daarbij uit naar het 'Europese intellect'. Aan dat intellect had Europa haar superieure positie in de wereld te danken. De grote vraag is in 1919 of zij die positie zal weten te behouden.

Zal Europa worden wat zij in werkelijkheid is: 'een kleine kaap van het Aziatische continent'? Of zal Europa blijven wat zij schijnt: 'het kostbare deel van het aardse universum, de parel van de dampkring, de hersens van een uitgebreid lichaam'?

Aan voorspellingen waagt Valéry zich niet in La crise de l'esprit, bestaande uit twee brieven die oorspronkelijk werden gepubliceerd in het Britse tijdschrift The Athenaeum en vervolgens in de Nouvelle Revue Française. Voor voorspellingen was het heden te onoverzichtelijk geworden. Ook het verleden kon geen steun meer bieden. Voor het 'historische feit' is het 'nieuwe feit' in de plaats gekomen; de nieuwe categorie is de 'verrassing', zoals Valéry nadien zou schrijven in een van de vele toespraken en essays die zijn visie op de moderne wereld vertolken.

Het ging volgens hem om een kwalitatieve verandering die elk traditioneel houvast onbetrouwbaar maakte. Valéry vergelijkt een en ander met een vlooteskader dat plotseling in een mistbank terecht is gekomen: ondanks al het aanwezige technisch potentieel tast men stuurloos en machteloos in het duister.

Gelukkig weet hij er bij nader inzien toch nog iets meer over te zeggen. De moderne crisis acht hij een gevolg van de tegenstelling tussen de nieuwe ontwikkelingen in de natuurwetenschap en de oude - historische of mythische - manier van denken in de politiek. De Eerste Wereldoorlog had deze tegenstelling aan het licht gebracht, doordat een uit achterhaalde nationalistische motieven begonnen conflict was uitgevochten met moderne technische wapens. Dat het nationalisme achterhaald was, werd aangetoond door het feit dat het conflict was uitgemond in een wereldoorlog.

'De tijd van de beëindigde wereld begint', lezen we in Regards sur le monde actuel uit 1931. Het hele aardoppervlak was in kaart gebracht en in bezit genomen, met als gevolg dat alles wat ergens plaatsvond elders onvoorziene consequenties had. Het politieke handelen was onberekenbaar geworden. Niets is meer zeker, meent Valéry, 'de paradox regeert'. Een ander gevolg van deze mondialisering was het machtsverlies van Europa, dat de Europeanen in feite aan zichzelf te danken hadden. Door hen waren kennis en macht wereldwijd verspreid, zonder dat zij in staat waren gebleken, vervuld van dwaze dromen uit het verleden, om de zaak in de hand te houden.

Met het lot van Europa is ook het lot van de beschaving verbonden. Of, om in Valéry's termen te spreken, het lot van de geest. Onder geest verstaat hij niet een 'metafysische entiteit', maar een 'puissance de transformation', die gebruik weet te maken van wat alles wat mogelijk is en die zo het avontuur van de beschaving gaande houdt. Geest bestaat bij gratie van een belangeloze nieuwsgierigheid en een speels vernuft. Maar juist daaraan lijkt het in de moderne wereld steeds meer te ontbreken. De geest wordt bedreigd door een 'machinisme' dat nog slechts behoefte heeft aan specialisten en vakidioten, niet aan onafhankelijke denkers en uitvinders.

Valéry, die als dichter altijd meer belang stelde in het proces van het dichten dan in het resultaat, constateert het met bezorgdheid, zonder te vervallen in de gebruikelijke klaagzang van de cultuurkritiek. Hij deinst er zelfs niet voor terug in de 'deformatie van de geest', die het 'machinisme' met zich meebrengt, een mogelijke 'nieuwe definitie van de mens' te zien. Dit tekent zijn lucide onverschrokkenheid en zijn wil om de 'verrassing' serieus te nemen. Desondanks blijft hij zijn vertrouwen stellen in de geest en diens aanpassingsvermogen, ook al gaan we (zoals hij eens heeft geschreven) 'achteruit de toekomst in'. Het enige wat de mens kan doen is: zich zoveel mogelijk op alles voorbereiden, een gezonde scepsis cultiveren en zich niet vastketenen aan verstarde systemen en partijen.

Vrijheid is hierbij onontbeerlijk. Een vrijheid van de geest wel te verstaan, minder een politieke vrijheid zoals de democratie die heet te garanderen, want daarvoor wist Valéry, een bewonderaar van de ideeën van de Portugese dictator Salazar, opvallend weinig waardering op te brengen. 'Het volk is de verzameling non-chefs. Democratie wil zeggen: de non-chefs tezamen zijn een chef', staat in een van de Cahiers, waarin hij elke ochtend vrijelijk zijn gedachten noteerde over de meest uiteenlopende onderwerpen.

Maar wat Valéry onder geestelijke vrijheid verstond wordt misschien nog het meest voorbeeldig belichaamd door Monsieur Teste, de hoofdpersoon van een gelijknamige verhalencyclus, die hij in 1894 voor het eerst had beschreven en die hem zijn leven lang zou blijven vergezellen. Een 'demon van de mogelijkheid' wordt hij ergens genoemd, iemand die afziet van daden en alleen in zijn bewustzijn leeft. Met zijn geestelijke experimenten is Monsieur Teste de tegenhanger van de homo universalis uit de Renaissance, aan wie Valéry in 1895 een van zijn eerste essays (Introduction à la méthode de Léonard da Vinci) had gewijd.

Voor zulke universele geesten, ongeacht of ze zich nu in daden of in hypothesen manifesteren, bood de moderne wereld amper nog ruimte. Behalve in de literatuur, waarvan Valéry de verbeeldingskracht ook bij zijn scherpzinnige diagnoses van de geestelijke 'crisis' niet onbenut heeft gelaten, aldus bewijzend dat mèt de literaire blik soms meer te zien valt dan zonder.