Mislukte foto's bestaan niet; De geschreven en gefotografeerde poëzie van Gerard Fieret

Duizenden foto's heeft Gerard Fieret gemaakt en afgedrukt, sommige spoelde hij in het gemeentelijk badhuis, als hij daar ging douchen. Hij is ook dichter en tekenaar. “Het is een eindeloze stroom”, zegt hij. De 74-jarige Haagse kunstenaar leeft in afzondering.

We spreken af in de poffertjeskraam op het Haagse Malieveld omdat zijn onderkomen nogal verstopt ligt in het struikgewas van het landgoed Duindigt. De hem door de gemeente als woning verstrekte directiekeet is voor een buitenstaander moeilijk te vinden en per auto eigenlijk niet te bereiken.

Gerard Fieret, 74 jaar oud, schilder, dichter en fotograaf, vooral fotograaf, woont er tot zijn tevredenheid, hoewel de keet geen donkere kamer toestaat; foto's afdrukken moet bij vrienden gebeuren. Eerder woonde Fieret in een ex-dependance van de Gemeente Reiniging. Daar was wél ruimte voor een donkere kamer maar het was er zo vochtig dat zijn camera's en vier vergrotingskokers wegroestten en pakken papier met zijn gedichten erop tot onbruikbaarheid verteerden. Toch begon Fieret ooit in een fraaie atelier-woning, in een echt huis dus, maar: “Ik moest er weg omdat ik duiven hield in het atelier. Dat mocht niet van de gemeente.”

Fieret, die zich ook nog bezighield met het bouwen en bespelen van panfluiten, heeft iets van een zonderling, maar dat is in het eerste contact met deze aimabele, voorkomende man nauwelijks te merken. Hij is vooral een bezeten artistieke omnivoor die alles om zich heen verwerkt tot gedichten in geschreven, getekende, geschilderde of gefotografeerde vorm. Hij is wel een 'verlate vijftiger' genoemd met een 'caleidoscopische realiteit' als hoofdthema. Hoewel: hij zegt een grote hekel te hebben aan het woord thema. Hem interesseert eenvoudig alles, mensen, dieren, dingen, alles wat beweegt en wat niet beweegt. Uitgangspunten in die veelheid zijn werkruimten (atelier en woonkamer zijn altijd één), (zelf-)portretten, vrouwen en de straat, ze keren steeds weer in een reusachtig en snel groeiend oeuvre, dat nog veel omvangrijker had kunnen zijn. Maar, zegt hij, al sinds het begin van zijn kunstenaarscarrière wordt hij bestolen door een mafia van rancuneuze kunstbroeders die goede sier maakten met zijn werk.

Hij vertelt er bizarre verhalen over, mooie, kleurrijke verhalen eigenlijk. Hoe hij werd bestolen door een kortstondige vriendin die met tassen vol van zijn foto's en gedichten en ook het ontwerp van een fotoboek uit zijn leven verdween na eerst nog even in zijn bed de liefde te hebben bedreven met een andere man. Twee jaar later lag er een fotoboek in de winkels met zijn foto's en ook met zijn gedichten. Hij noemt de namen van inmiddels zeer bekende en uitvoerig gelauwerde fotografen en literatoren die met zijn veren zouden hebben gepronkt.

Rancuneuze dieven

Fieret benoemt nog meer dieven, klinkende namen uit de na-oorlogse avant-garde. Bijvoorbeeld die van een beroemd, in de bloemlezingen zeer aanwezige tragische dichter, die hem in bodega De Posthoorn bestolen zou hebben. Fieret vertelt gedurende een lange periode vrijwel dagelijks in De Posthoorn aan zijn gedichten te hebben gewerkt. Af en toe maakte hij een praatje met een passerende kunstbroeder. Af en toe moest hij naar het toilet. Gedurende zo'n pauze verdween de stapel gedichten die hij op zijn tafeltje had laten liggen en waarover hij zo even nog gepraat had met de bedoelde dichter die ook weg was. Hij zag zijn gedichten terug in een later bekroonde bundel.

Gerard Fieret vertelt deze en vele andere verhalen zonder merkbare opwinding. Het bestaan van “een goed geoliede clan van jaloerse en rancuneuze kunstenaars” is een gegeven waarmee hij heeft leren leven. Hij koestert deze complottheorie zonder aanwijsbare reden. Hij heeft het niet nodig om gebrek aan eigen succes met drogredenen te maskeren.

Hij leeft en werkt in betrekkelijke eenzaamheid. Dat hij in 1992 werd onderscheiden met de Pieter Ouborg Prijs en daarna in het Haags Gemeentemuseum exposeerde, is weer vergeten. Dergelijke dingen beklijven niet bij kunstenaars die niet aan de weg blijven timmeren.

Hij is een aan de Haagse academie opgeleide schilder en tekenaar die altijd al dichter was en als fotograaf werd ontdekt door prof. dr. H. van der Waal, kunsthistoricus en toen directeur van het Leidse Prentenkabinet. Prof. Van de Waal zette in Leiden de fotografische afdeling van het Prentenkabinet op, op basis van de door hem verworven nalatenschap van een belangrijke fotografisch pionier, Auguste M.J. Grégoire. Leiden werd daarmee de eerste Nederlandse universiteit waar de fotografie als volwaardige kunstvorm werd verzameld en wetenschappelijk behandeld. Gerard Fieret schonk Leiden enkele duizenden foto's.

Werk van hem werd aangekocht door het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Haags Gemeentemuseum. Er werden voorts tientallen gedichtenbundels van hem uitgegeven en zijn werk werd tot voor een jaar of tien, vijftien geleden geregeld ergens geëxposeerd. Daarna werd het wat stiller rondom deze merkwaardige, veelzijdig begaafde man, misschien mede door zijn principiële wantrouwen tegen de kunstzinnige wereld die hem veel meer waardeert en bewondert dan hij bereid is toe te geven.

Aanleiding om contact met hem te zoeken (via een postbusnummer dat al decennia lang zijn adres is) was een expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam waar enkele foto's van hem, naakten, tevoorschijn waren gehaald.

Hoe zou het toch met Gerard Fieret gaan?

Welnu, in de Haagse poffertjeskraam blijkt dat het eigenlijk wel goed met hem gaat. Hij is nog uiterst actief en productief, de laatste tijd vooral met het schilderen op de blanco kant van bierviltjes. Dat klinkt als gefröbel maar door hem meegebrachte voorbeelden bewijzen het tegendeel.

De bierviltjes blijken drager te kunnen zijn van een oneindige reeks voorstellingen, abstracties, half-figuraties, experimentele invallen, kleurige bijna-miniaturen die, meestal in groepen van zes, op grote vellen papier bijeengebracht meer dan verrassende composities vormen. Fieret vertelt de bierviltjes eerst te deppen met theezakjes zodat er bruine verkleuringen ontstaan van willekeurige vorm. Die zijn de uitgangspunten van de voorstellingen in een niet ophoudende reeks van varianten.

Het werk is naar volwassenheid gegroeid, is nog maar bij enkele verzamelaars bekend, maar zou alleen al een expositie rechtvaardigen. Behalve viltjes, tekeningen, gedichtenbundels heeft Fieret gelukkig ook een stapel foto's naar de poffertjeskraam meegebracht.

Ogenschijnlijk slordig

Met een schok herken ik ze weer zoals ik ze een jaar of twintig geleden op een tentoonstelling zag. Slordig, beschadigd, dikwijls onscherp of bewogen, gevlekt, maar stuk voor stuk prachtig. Wat is het geheim van een fotograaf die ogenschijnlijk slordig en onverschillig om zich heen schiet en juist daardoor het essentiële van de dingen weet te raken?

De foto's zijn in zwart en wit, in kleuren is Fieret, na het te hebben geprobeerd, verder niet geïnteresseerd. De foto's in allerlei formaten horen bij elkaar, ze vormen het wereldbeeld van Fieret, ze hebben te maken met dikke viltstiftregels waarmee hij op grote vellen papier gedichten schrijft. Zo hanteert hij ook de camera. Geen moderne, automatisch scherp stellende computers, maar eenvoudige handmatige toestellen, een Oostduitse Praktica, of een oude Voigtländer. Hij kijkt rond en registreert onmiddellijk. In de trein, het café, thuis, al of niet met vriendinnen, of met de kat, op straat. Ook zichzelf met zijn eigen schaduw, zijn voeten, het net leeggedronken kopje koffie met daarnaast zijn aansteker. Alles dus.

Kijken en fotograferen vallen geheel samen. Een kijkend mens is niet voortdurend bezig met beeldcomposities, dezelfde dingen worden steeds anders gezien. Ook dezelfde mensen. Zo fotografeert Fieret, zich niets aantrekkend van de regels voor standpunten, compositie, tegenlicht, diepte- en andere scherpte: “Ik heb mijn eigen wetten. Ik wil alles hebben. Er bestaan geen mislukte foto's.” Zelfs de vaagste per-ongeluk-kiek past ergens in de nooit ophoudende collage die het oeuvre van Fieret uitmaakt.

Een te perfecte afwerking van de foto's, zo lijkt zijn opvatting te zijn, kan soms afleiden van waar het om gaat. Daarom worden vlekken en krassen, die bij het afwerken wel eens willen ontstaan, gehandhaafd en ook hun eigen plaats gewezen. Het leven is niet perfect, dus zijn foto's, die dat leven weergeven, zijn dat ook niet. Een hongerfoto uit Rwanda in een mooi, de contouren weerkaatsend strijklicht, zo'n foto, daar is wat mee.

Af en toe echter is uiterst perfecte afwerking weer wél nodig, als een volmaakt accentje in een drassig geheel. Fieret gaat heel ver in de weergave van zijn wereldbeeld, dat het wereldbeeld van een dichter is. Hij neemt er soms het verleden in op via reproducties van oude familiekiekjes en jeugdfotootjes. Heden en verleden vloeien samen, soms heeft hij een baard, dan weer niet, soms kijkt hij ons koud en kil aan, dan weer straalt hij zachtmoedigheid uit.

Elke foto is een dagboeknotitie, snel en slordig neergeschreven, maar waard om te blijven. Fierets fotobundels gaan dikwijls samen met zijn gedichten of met enkele regels: “Wat is kunst? Is het een goed brood, een goede jurk, een auto op de roesthoop? Wat is kunst, een bezem versleten van het reinigen van de eigen Augiasstal?”

Ondanks de beweerde diefstallen op grote schaal, moet het aantal negatieven in de vele duizenden lopen. Evenals zijn stapels afdrukken, foto's die voor een deel gespoeld werden in het gemeentelijk badhuis in de Torenstraat, als de kunstenaar daar een douche ging nemen.

Die diefstallen. Fieret voelt zich nog steeds belaagd door rancuneuze collega's die hem zijn successen niet gunnen en zijn werk voor eigen gebruik ontvreemden. Rustig betogend laat Fieret merken hiervan geheel overtuigd te zijn. Zwakke tegenwerpingen dat die en die (een vooraanstaand fotograaf) dat toch niet nodig heeft, halen niets uit. Fieret noemt zelfs de titel van boeken en bundels die op basis van zijn, Fierets, werk zouden zijn gemaakt: “Ik kwam steeds de verkeerde mensen tegen.”

Machtige rivier

Zijn doorzetten moet mede gezien worden als onderdeel van de strijd tegen een boze buitenwereld. Hij voert het gevecht op alle fronten. Zoals gezegd hangt zijn fotografie nauw samen met zijn poëzie.

In een brief aan het Leids Prentenkabinet zei hij er zelf het volgende over:

“Je zou kunnen zeggen de poëzie is in mijn kontekst een machtige rivier, uit haar ontsproten twee krachtige armen, het tekenen en de fotografie. Op den duur evolueerden de drie media in gelijkwaardigheid. Zo kunnen ze zintuig overdrachtelijk gesproken beurtelings elkaars moeder zijn (...). Uiteindelijk versmolten de drie media. foto werd poëzie, poëzie werd foto (methaphistiek) en het tekenen werd een schrijfwijze, het tekenen, het dichten, werd een zien en foto tot een enjambement in de gangen van het labyrinth.”

Zijn foto's en gedichten zijn een eindeloze stroom, zegt hij, met af en toe een getekend of geschilderd rustpunt. De stroom begon op zijn zevende jaar met deze regels:

De roeiers roeien onder de blauwe lucht

De roeiers roeien door het groene land

De roeiers roeien onder de blauwe lucht.

Sindsdien is hij een mensenleven lang aanhoudend aan de gang gebleven: “Geen servetje was veilig voor me.” Geen servetje en geen bierviltje, want ook die minitatuurschilderingen worden door hem bij het dichten gerekend.

Omdat zijn gedicht 'Dichter' mij een soort basisverklaring van zijn creatieve handelen lijkt citeer ik het hier geheel met handhaving van eventuele spelfouten en slordigheden die bij Fieret immers krassen in het negatief zijn:

Als de dichter de woorden

van de muren krabt

de stilte onoverkomelijke

drempel

maar de woorden dwingen

opnieuw tot schrijven woorden

gebijteld in het ebben van

de stilte

zwijgen kune je niet spreken

verbreek het zegel van mijn

mond

in de nachtelijke kamer

hoor ik mijn voetstappen

buiten, als een dans macabre

in het huis van de stilte

herken ik mijzelf blinde deur

zoekgeraakte sleutel

Gerard Fieret werkt op zichzelf teruggeworpen door.

“Wanneer heb je voor het laatst gefotografeerd, Gerard?”

“Een week of twee geleden in het Haagse Bos, kinderen en meisjes, het gaat altijd zo snel, ik weet niet eens meer wat nog meer.”

Dat gebeurt veel in zijn werk, dat iets pas na lange tijd op de juiste plaats valt.

Hoewel. Gerard Fieret is 74 jaar oud. Hij oogt energiek en vitaal. Maar toch. Het lijkt tijd te worden uit de enorme hoeveelheid materiaal, geschreven, getekend, gefotografeerd, in zijn verstopt onderkomen een mooie, grote overzichtstentoonstelling te maken.