Met open ogen van verwondering; Nieuwe gedichten van Leo Vroman

Leo Vroman: De roomborst van Klaas Vaak. Querido, 152 blz. ƒ 39,90

In een gedicht uit zijn nieuwe bundel, De roomborst van Klaas Vaak, zien we Leo Vroman zitten in een beukenbos. Op de grond, op zijn kont, op het mos. Of, zoals hij het zelf zegt: 'ik zit met mijn gebroekte stramme / hoewel goed bedoelde hammen / op het schijnbaar vriendelijk mos / tussen de schijnbaar gladde stammen / van het schijnbaar simpele bos.'

Waarom schijnbaar, tot drie maal toe? Omdat Vroman wel weet dat mos, stammen en bos er heel anders uit zouden zien als hij vijftien meter boven de grond, door de kronen van het beukenwoud, zou kunnen lopen, of vijftien decimeter onder de grond, tussen de wortels door, zou kunnen kruipen. Dan zou hij de beuken vast veel beter begrijpen ('dan dronk ik de ware waarde in / van hun aaise groei') en ook beter begrijpen waarom hij zoveel van ze hield. Maar zo is het niet, en dus zit hij maar met zijn stramme hammen op het vriendelijke mos te genieten van de gladde stammen en het simpele bos, in de wetenschap dat zijn waarnemingen voor een groot deel schijn zijn. Er zit voor een mens weinig anders op. Moraal: 'De aarde wordt het best genoten / met onze ogen half gesloten.'

Het is, in een vriendelijk notendopje, de formulering van een van de menselijke tekorten. En het is ook meteen, voor wie wil, op te vatten als een levensles. Berust er maar in: wij zijn bijziend, en tragisch genoeg weten we het ook nog. En, nog tragischer: wie er zich bij neerlegt en bij voorbaat de ogen half gesloten houdt, geniet ook nog eens het meest. De kwestie lijkt mij niet dat de wereld van de boomtoppen of die van het ondergrondse wortelleven per definitie onkenbaar zou zijn. Daar zijn instrumenten voor, en ladders, en zelfs een boomkroonpad met een maximale hoogte van 22,5 meter, ergens in de bossen van Borger. Wat Vroman hier werkelijk betreurt is dat de mens geen vogel of boomklever of mol is, en erger nog: dat hij ze niet allemaal tegelijk kan zijn.

We zien hier een kwestie die in al het werk van Vroman terug te vinden is, meestal in veel spectaculairdere varianten: er is een oneindig grote wereld boven ons, en onder ons, en trouwens ook in onszelf, en vanuit al die werelden ziet 'de' werkelijkheid er telkens weer anders uit. Dit mag oud nieuws zijn, maar er zijn weinig dichters die zich zo fanatiek en vergaand tegen dit besef hebben verzet als Vroman. Zijn poëzie zou je kunnen beschouwen als een geval van heuse werkelijkheidsstudie, gebruik makend van de jongste wetenschappelijke inzichten en zelf soms ook wetenschappelijk van opzet. Vromans onderzoek richt zich vooral op de randen van die werkelijkheid: het microscopisch kleine, het galactisch grote, de grenzen tussen waken en dromen, de dunne scheiding tussen leven en dood.

De aarde mag dan het best worden genoten met onze ogen half gesloten, zoals Vroman zich onder zijn beukenboom voorhoudt - zijn poëzie is daar eigenlijk helemaal geen voorbeeld van. Want daarin bewijst hij voortdurend dat er met open ogen van verwondering, verbazing en nieuwsgierigheid minstens zo veel te genieten valt. De roomborst van Klaas Vaak is opnieuw, net als zijn voorganger Psalmen (1995), een dikke, zware (ruim 3 ons) en rijk gevarieerde bundel. Ook hier begint Vroman met een serie 'psalmen', gericht aan het onbekende Systeem dat alles lijkt te bestieren. Ze worden gevolgd door vijfentwintig gedichten over allerlei onderwerpen: de komeet van Hale-Bopp, het vloeken, het rijm, een herinnering aan een excursie naar Schokland in 1933. Er is een gedicht dat nog niet gelezen mag worden (want 'ik heb het nog niet geschreven'), een ode aan de drukfouten die nog wel eens in tijdschrikten willen verschijten en een prachtig, niet-gelijkend zelfportret in de vorm van een lange opsomming van bloemen en planten, 'alles naar een eigen wet verwilderd / en destijds door een blinde vrouw geschilderd'. Er zijn weer enkele absurde fabels (met moraal), een prachtige reeks 'Vergelijkingen' over de niet te vermijden, maar altijd onbevredigende neiging om bij het kijken altijd te willen vergelijken, en een lange, twintig pagina's tellende en wel erg babbelende brief, in het Engels, aan de man die ooit in 1945 in de droogdokken van Osaka zijn leven redde.

De bundel wordt besloten met 'Vlucht 800', een al even lang leerdicht, in Engelse en Nederlandse versie, waarin Vroman probeert troost te bieden aan de nabestaanden van een groep tieners die met hun vliegtuig zijn neergestort in zee. Het procédé is bekend uit eerder werk, bijvoorbeeld 'Over de dichtkunst' en 'Liefde, sterk vergroot'. De bioloog Vroman probeert zich voor te stellen hoe een cel van jongen J en een cel van meisje M onder water alsnog een liefdevolle omhelzing tot stand brengen, met behulp van wat B- en T-cellen, CD 3, CD 4, zeta receptor en interleukine-2, om zich vervolgens te gaan delen en onder water een klein koraaltje te gaan vormen, bij wijze van monument voor J en M's prille liefde. Het is een spectaculaire vorm van troost, theoretisch misschien wel mogelijk, maar niet erg aannemelijk, zoals hij zelf ook toe moet geven: 'het beduidt / alleen de droom van eeuwig bestaan.'

Het is zoals altijd bij Vroman moeilijk te zeggen wat in zo'n lang gedicht het meest treft: de ongebreidelde fantasie, de grillige overgangen, de wetenschappelijke precisie, de liefde, de humor, het goochelrijm, de vanzelfsprekende praattoon of de treurige aanleiding. Vermoedelijk het typische Vroman-effect van dat alles bij elkaar. Mij trof nog het meest de toon van vergeefsheid en mislukking aan het slot, een zekere radeloosheid die in deze bundel wel vaker te bespeuren valt. Zijn gedichten zijn altijd al dappere verkenningen van de dood, nieuwsgierige oefeningen in sterven geweest. Maar het antwoord, van de wetenschap of van het Systeem, op de vraag wat zich daar in dat onbekende gebied nu werkelijk bevindt laat wel erg lang op zich wachten. 'Wat blijft er na als ik ben langsgegaan? / Wat verse lucht nog twee drie uur te ruiken, / wat glinsteren van het natte gras, de struiken, / naflitsen van een krachtig nabestaan / in een vorm die door geen mens is te gebruiken.' Meer dan vroeger laat Vroman zijn gedichten nu, zonder verdere speelse tegenwerpingen, uitlopen op zulke desolate conclusies. Hoe ouder, hoe onzekerder - en dan kan men misschien maar het best, al dan niet gebroekt, met zijn stramme hammen onder de boom gaan zitten, met de ogen half gesloten.