Lopen over de heilige grond van 'Het Bureau'

Het P.J. Meertens Instituut, dat model stond voor J.J. Voskuils succesvolle romancyclus Het Bureau, gaat verhuizen. Aan de vooravond van dit vertrek hebben Voskuils opvolgers en vroegere collega's rondleidingen georganiseerd. Het bureau van Mijnheer Beerta staat er nog.

AMSTERDAM, 23 JAN. Een touw-en-blok hangt in het hoge trappenhuis. Verhuisdozen staan opgetast in de kamers waar wetenschappelijk ambtenaren zich meer dan dertig jaar lang wijdden aan Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. In het bezoekersgastenboek hebben de afgelopen dagen meer mensen hun namen gezet dan in de maanden ervoor. En in de koffiekamer wordt een record aan koffiebonnetjes ingewisseld.

Het P.J. Meertens Instituut, het grachtenkantoor waar de schrijver-wetenschapper J.J. Voskuil het grootste deel van zijn succesvolle sleutelromancyclus Het Bureau situeerde, gaat verhuizen. Aan de vooravond van het vertrek naar Over-Amstel hebben Voskuils opvolgers en vroegere collega's zes rondleidingen georganiseerd door het territorium van Maarten Koning, de hoofdpersoon van Mijnheer Beerta (1996), Vuile handen (1996), Plankton (1997) en het vandaag verschenen Het A.P. Beerta-Instituut. Voor een beperkt publiek - voornamelijk familieleden en kennissen van (ex-)medewerkers - worden in de door Voskuil beschreven kamers scènes uit de boeken voorgelezen en zelfs nagespeeld. 'Een gebouw vol verrassingen' wordt de voormalige bank aan de Keizersgracht in Vuile handen genoemd. En inderdaad: achterhuizen, kleine trappetjes, nauwe gangen en kelders met stalen kluizen maken het Meertensinstituut tot een labyrint waarin zelfs de fanatiekste lezers van Het Bureau de weg kwijt zouden raken. Maar we worden gegidst: hier is de kelder waar de vragenlijsten zijn opgeslagen; daar is het kozijn waarop de volksliedkenner Jaring Elshout een streepje zette om de verzakking van het gebouw te meten; en dit hier is de kamer van Voskuil zelf. “Heilige grond”, zegt de rondleidster ironisch, waarna ze de beroemde scène (uit Plankton) voorleest waarin een van Maarten Konings kamergenoten zich angstig afvraagt of zij ooit herkenbaar in een van zijn boeken terecht zullen komen. (Antwoord van Voskuils alter ego: 'Daar hoef je niet bang voor te zijn. Daar zijn jullie te onbelangrijk voor.')

Op de vergadertafel in Voskuils kamer, centrum van eindeloze discussies tussen Maarten en zijn onwillige formalistische collega's, ligt een van zijn projecten uit de jaren zestig, de verspreidingskaart van 'de ophanging van de nageboorte van het paard'. Maar we passeren veel meer literaire memorabilia: de verspreidingskaarten van de Kinderschrik (boeman tot weerwolf), het Dwaallicht en de Watergeest; de platen van Jetses die Voskuil/Koning bij de vorige verhuizing van het instituut van de vuilnishoop redde; de kapstok waarom door de afdelingen Volkscultuur en Volksnamen is gevochten; het plastic oranje melkflessenrekje dat een belangrijke rol speelt in Deel Vier; en, als apotheose, het barokke bureau van de vroegere directeur P.J. Meertens (Mijnheer Beerta in de roman) dat in de wandeling het 'pijploos orgel' wordt genoemd.

In de directeurskamer aan de voorkant (armoedige jaren-vijftig-inrichting, kartonnen archiefmappen aan de wand) spelen de medewerkers van het Meertensinstituut een hilarische scène uit deel 2 na: de verhitte verdeling van de kamers na de verhuizing in 1967. Werkelijkheid en verdichting beginnen hier erg door elkaar te lopen: in de roman was de naamkundige Koos Rentjes (Prof. dr. Rob Rentenaar) een van de bekvechters aan de tafel van de directeur; nu kijkt Rentenaar in het publiek toe hoe zijn rol wordt gespeeld door drs. Ton Goeman, die zelf onder de naam Aad Ritsen ook in Het Bureau voorkomt.

Rondlopend in het Meertensinstituut begrijp je waarom het door Voskuil vereeuwigde bureau moet verhuizen: geen muur of hij is gescheurd; geen plafond of het is afgebladderd, geen kozijn of het is verzakt en verveloos. Toch wil geen van de medewerkers graag verhuizen. “Voor een mooi nieuw gebouw hadden we het Bureau graag ingeruild”, zegt Rob Rentenaar. “Maar u moest eens zien waar we nu heengaan: een jaren-vijftig-flat op Industrieterrein Amstel 2, de plaats waar de mafia zijn afrekeningen organiseert.'