Locher, directeur van het Haags Gemeentemuseum, legt nadruk op eigen collectie; 'Wij zijn actueel door te onthaasten'

De Mondriaan Stichting geeft het Haags Gemeentemuseum weinig geld, omdat het 'een teleurstellend laag ambitieniveau heeft.' “Als de Mondriaan Stichting bedoelt dat wij de allernieuwste kunst niet volgen, dan heeft zij gelijk”, zegt directeur Locher.

DEN HAAG, 23 JAN. De Mondriaan Stichting heeft geen hoge pet op van het Haags Gemeentemuseum. Dat blijkt meteen uit de tweejaarlijkse verdeling van aankoopgelden, die dit stimuleringsfonds voor beeldende kunst, vormgeving en musea deze maand bekendmaakte. Krijgen het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Kröller-Müller Museum in Otterlo vier ton, het Haags Gemeentemuseum moet tevreden zijn met een enkele ton, 20.000 gulden minder dan het kleinschalige Domein in Sittard, en een ton minder dan in 1996 en '97.

Dit zuinige gebaar getuigt van weinig empathie van de Mondriaan Stichting, zou men kunnen denken. Door de overschrijdingen die oud-directeur Rudi Fuchs maakte, tobt de staf van het Haags Gemeentemuseum al drie jaar met een lege aankooppot. Alleen wat kruimels van aparte fondsjes zijn erin achtergelaten.

Nu valt er voor de karig bedeelde Nederlandse musea toch al niet veel op de internationale kunstmarkt te 'scoren' - reden voor de Raad voor Cultuur om onlangs structurele verhogingen van de aankoopbudgetten te adviseren -, maar waarom was voor het op-twee-na-belangrijkste museum van Nederland zelfs een gelijkblijvende inschaling te veel gevraagd?

'Het collectieplan van het Haags Gemeentemuseum is van een teleurstellend laag ambitieniveau ten aanzien van de hedendaagse beeldende kunst en vormgeving', aldus een schriftelijke toelichting van Melle Daamen, directeur van de Mondriaan Stichting: 'Het gevoerde beleid is erg naar binnen gericht en star, het collectie- en aankoopplan onsamenhangend en weinig verbandhoudend met de aanwezige collectie en daardoor niet overtuigend.' Het museum ontbeert 'vitaliteit' en 'het lijkt de actuele ontwikkelingen niet of nauwelijks te volgen'. Ook de afdeling kunstnijverheid mist 'visie of vitale inzichten'. En bij de mode, die uitvoerig in de nieuwe, ondergrondse zalen aan bod zal komen, 'ontbreken namen die aangeven waar het op dit moment om gaat'.

Geen opbeurende rapportcijfers voor museumdirecteur Hans Locher, die wegens de restauratie van het museum, nu kantoor houdt in een soort blankhouten botenhuis: “Die lage, financiële positionering is inderdaad jammer. En als de Mondriaan Stichting bedoelt dat wij de allernieuwste kunst niet volgen, dan heeft zij gelijk. Dat hebben we nooit gedaan en dat zullen we ook nooit doen.

“Ik vind het heel mooi dat het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Groninger Museum zich daarmee bezighouden. Maar dit museum legt de nadruk op de vaste, eigen verzamelingen, en dat noemt men tegenwoordig onthaasting. Dat laatste wordt nu niet alleen door het Stedelijk Museum in Amsterdam gepropageerd, ook Melle Daamen zelf pleitte onlangs op zijn nieuwjaarsreceptie voor een onthaast museum. Aangezien we al jaren doen wat Daamen graag ziet, zijn we hier dus eigenlijk zeer actueel. We zijn in die zin ook actueel dat straks onze hele collectie gedigitaliseerd op Internet is te bekijken. Wij mogen dan naar binnengekeerd lijken, via de virtuele middelen, via educatie en onderzoek blijken we weer heel expansief te zijn.”

De museale aankoopregeling van de Mondriaan Stichting is bedoeld voor Nederlandse 20ste-eeuwse kunst en kunstnijverheid. In totaal profiteren nu zeventien Nederlandse musea. Voorwaarde is dat zij al over een ton aan aankoopgeld beschikken. “Maar nergens staat vermeld dat men ook ambities dient te hebben om die actualiteit op de voet te volgen”, zegt Locher. “Als dat een voorwaarde is, hadden we natuurlijk geen aanvraag bij de Stichting ingediend. Want ik loop niet driftig het nieuwe na.

“Wat de moderne, 20ste-eeuwse kunst betreft, heeft dit museum altijd zorgvuldige keuzes gemaakt. Bij de heropening in oktober is straks aan de belangrijkste, naoorlogse kunstenaar in Nederland, J.C.J. Vanderheijden, een aparte zaal gewijd. Carel Visser, Constant, Frank van Hemert en Co Westerik zijn andere kunstenaars op wie we ons nadrukkelijk richten. En een Haagse kunstenaar als Ossip hoort daar ook bij.”

Lochers toekomstige inrichtings- en tentoonstellingsplannen komen hem straks ongetwijfeld opnieuw op een reprimande van de Stichting te staan: statische opstellingen van de deelcollecties glas, muziekinstrumenten, typografie en keramiek (van Noord-Afrika tot en met China); chronologisch ingerichte afdelingen met 19de-eeuwse schilderijen en sculpturen, en zalen met de eerdergenoemde eigentijdse kunstenaars, inclusief werken uit 1998. Tijdelijke tentoonstellingen zullen onder meer het werk van Toorop, Hodler, Klimt, Knopf en de Britse architect Mackintosh te zien geven. “Onze inrichting onthult een divers stelsel van gelijkwaardig gepresenteerde collectie-onderdelen. Ik kan me voorstellen dat de Stichting zo'n programma niet inspirerend vindt.”

Zeer kritisch is diezelfde Stichting ook nog over het afstotingsbeleid, dat binnen de collectievorming van het museum wel erg domineert. “In dat afstoten zijn wij redelijk uniek. Als je namelijk geen middelen hebt om uit te breiden, dan ga je indikken en accenten leggen. Door onze collecties toegankelijk en hanteerbaar te maken, door ze af te stemmen op de museumvolumes, door externe depots op te doeken, bereiken we uiteindelijk het museum waar we naar streven, het in fysieke zin, compacte museum. En zo'n beleid kan naar buiten toe een weinig vitale indruk geven.”

Het museum ruimt - volgens de door het rijk vastgestelde regels - enkele duizenden van zijn 120.000 objecten op. Vooral kunstnijverheid, die aan andere musea wordt afgestaan of bij museale desinteresse wordt verkocht: van meubels tot kachels, van speelgoed tot klokken. “Zo dwingen wij onszelf objecten tegen elkaar af te wegen”, vindt Locher. “Natuurlijk maak je daarbij fouten, zoals je ook fouten maakt bij aankopen. Het perspectief van de tijd ontbreekt en je kan niet over je schaduw heenspringen. Willem Sandberg had geen oog voor de schilderijen van de Duitser Max Beckmann. Dat was begrijpelijk in zijn tijd, maar fout. Toch zal je Sandberg nooit beoordelen naar wat hij niet heeft gedaan.”

Tenslotte voorspelt de ingehouden, maar toch triomfantelijke stem van Locher dat er “voor de bezoeker hier straks wel duizend, kernachtige voorwerpen uit zeer toegespitste deelcollecties liggen uitgestald.” En dat gedoseerd exposeren is niet nieuw, zegt hij: “De kunsthistoricus J.G. van Gelder, oud-directeur van dit museum, schreef het al in 1921 bij de bouw van dit monument: 'de museale opstellingen zouden van bescheiden omvang moeten zijn, rekening houdend met deze eerste beginselen der moderne museumkunde, dat een museum niet mag vermoeien en overzichtelijk moet zijn en dat het beter is in weinig zalen een keurverzameling te herbergen, dan in vele zalen zaken van den tweeden rang.' Zò en niet anders gaat het Haags Gemeentemuseum eruit zien”.