Kunst in de bios

In de jaren vijftig en zestig beschikte het Nederlands Filmmuseum nog niet over een eigen gebouw; de filmvoorstellingen werden gehouden in het Stedelijk Museum. Dat was wel zo overzichtelijk: films die kunst waren zag je in een museum, en films die gewoon films waren in de bioscoop.

Met name door de inspanningen van de Cahiers du Cinéma, waar met overtuiging betoogd werd dat zelfs B-films kunst konden zijn en sommige kunstzinnige films rotzooi, veranderde die te simpele tweedeling. Een aantal bioscopen noemde zich art house, er werden filmhuizen opgericht als alternatief voor het commerciële bioscoopbedrijf en in 1972 begon Huub Bals in Rotterdam een festival dat allerlei soorten films door elkaar ging vertonen: Georgische komedies, Chinese ballades, Amerikaanse soft porno en ook, onder heel veel meer, 'experimentele films'. Het woord filmkunst durft bijna niemand meer te gebruiken, die definitie is drijfzand geworden; wie toch onderscheid wil maken bedient zich, in navolging van wijlen Bals, van nietszeggende termen als 'cinematografische waarde'.

De laatste jaren voltrekt zich een curieuze ontwikkeling in de wereld van de beeldende kunst. Toonaangevende kunstmanifestaties als Documenta en de Biennale presenteren in toenemende mate films en video's. In catalogi en kunsttijdschriften valt soms te lezen dat film een interessant en actueel medium vormt, alsof het een nieuwe kunstvorm betreft. De makers van die in museale context vertoonde films en video's beschouwen zichzelf eerder als kunstenaars dan als filmauteurs. En zo goed als nooit verschijnt zo'n kunstwerk in een bioscoop of filmtheater, waar immers minder status valt te halen.

Het is duidelijk dat Simon Field, sinds 1996 directeur van het International Film Festival Rotterdam, meer affiniteit heeft met de kunstwereld dan zijn voorganger Emile Fallaux. In Londen programmeerde Field immers voor het Institute for Contemporary Arts. Voor zijn tweede festival zocht hij toenadering tot Rotterdamse kunstinstellingen als het museum Boijmans Van Beuningen, Witte de With en V2, die alle nevenactiviteiten van het filmfestival herbergen. Het valt te hopen dat niet alleen veel bezoekers van het filmfestival eens een museum binnenlopen, maar dat ook beeldende kunstliefhebbers de weg naar Luxor en Pathé weten te vinden.

Cremaster 5 is de schitterende, operateske film van de Amerikaanse kunstenaar Matthew Barney, die in het hoofdprogramma van het festival wordt vertoond, en er zou niets op tegen zijn als die film na het festival gewoon een distributie in de bioscopen kreeg. Het behoort wellicht tot de taken van een grensverleggend filmfestival als dat van Rotterdam om de dialoog tot stand te brengen tussen museum en bioscoop, maar dan moet de liefde wel van twee kanten komen. Misschien kan het wat zwakker kloppende hart van het festival - dit zijn geen opwindende tijden voor filmfanaten - best een museale bloedtransfusie gebruiken.

Maar als film pas weer kunst gevonden zou worden wanneer het in een museum te zien valt, dan is de hele geschiedenis van 27 jaar Rotterdamse filmfestivals voor niets geweest.

De film Cremaster 5 van Metthew Barney is te zien op het filmfestival Rotterdam op do 29 jan, 14.40u (Venster 2); vr 6 feb, 20.40u (Venster 2) en za 7 feb, 15.10u (Pathé)