Kijk hier eens naar; Festivaldirecteur Simon Field over film en 'Rotterdam'

Het International Film Festival Rotterdam gaat zijn tweede Field-jaar in en is eclectisch en alternatief als altijd. Portret van directeur Simon Field in elf films en een installatie. “Rotterdam hoefde zijn festival niet meer te worden, het was het al.”

Simon Field heeft nooit bijen gehouden, een vrachtwagen door de jungle gereden, vier steden tegelijk bezocht, een spijker door zijn penis gedreven. Toch heeft hij die dingen, en nog veel meer, meegemaakt. Hij is naar de bioscoop geweest, en daar kun je de ervaringen van anderen delen. Zoveel mogelijk ervaringen, van zoveel mogelijk mensen. Soms zijn dat ook die van jezelf. Field houdt net zo goed van films die laten zien wat er gebeurt als je over een vlooienmarkt loopt, of van een hoog gebouw naar beneden kijkt.

Een fanaat noemt hij zichzelf niet. Hij is een eclecticus. Field (Hull, 15 februari 1946) is dit jaar voor de tweede keer directeur van het International Film Festival Rotterdam, dat met een kwart miljoen bezoekers een van de grootste culturele evenementen van Nederland is geworden. Hij aarzelde lang toen hem in 1996 door het bestuur gevraagd werd te solliciteren. Hij zou een goede baan in Londen als filmprogrammeur van het Institute of Contemporary Arts (ICA) moeten opgeven, hij zou moeten verhuizen en zijn vrouw in Londen moeten achterlaten. Maar Rotterdam was zijn favoriete festival; hij was er al zeven keer geweest. Hij wist wat een 'Rotterdamfilm' was en Rotterdamfilms beminde hij. Na zes maanden wikken vroeg hij zich af of hij gek was geworden. Dit festival paste hem als een handschoen. Hij had Aziatische films naar Londen gehaald, in Hollywood naar eenlingen gezocht, documentaires over controversiële onderwerpen vertoond en oude films opnieuw laten waarderen. Rotterdam hoefde zijn festival niet meer te worden; het was het al.

Field werd niet gek; hij ging naar Rotterdam. Een week voor zijn tien dagen weer beginnen, zit hij in het café onder de Rotterdamse Schouwburg, tegenover de Pathé-bioscoop. Hij kan in het Nederlands een kipsalade bestellen en in weldadig Engels Engels praat hij over zijn festival. Zijn wenkbrauwen zijn woest, zijn woorden zijn voorzichtig. Beleefd spreekt hij over verhalend, sensueel en visueel plezier. Dat moet zijn festival bieden. En volgens Field is bijna alles daartoe in staat: Japanse gangsterdrama's, Italiaanse horror, film binnen en film buiten de bioscoop, in musea, in discotheken, op de muren van grote gebouwen. Vernieuwing, variatie, alternatieven, afwisseling: dat zijn de bleke woorden waarmee de zachtmoedige directeur zijn festival wil aanprijzen. Menens wordt het pas als het over een van de 220 films gaat die er draaien, of over films die in het verleden indruk op hem hebben gemaakt. Dan lachen de lippen, dan fronsen de wenkbrauwen, dan zoeken de handen naar woorden.

DECONSTRUCTING HARRY Regie: Woody Allen. Amerika, 1997. Hoofdprogramma filmfestival Rotterdam. Opende in augustus het filmfestival van Venetië.

Field: “Ik denk niet dat de wereld nog een festival als dat van Cannes of Berlijn nodig heeft. Daar gaan de grote films in première, zoals die van Clint Eastwood of zelfs Gus van Sant. Of ik een film selecteer van Woody Allen hangt af van de film. Werk van Allen is nog nooit eerder op het festival vertoond. Zijn 'zware' film Interiors zou ik ook nooit geselecteerd hebben, maar Deconstructing Harry is heel inventief. Allen probeert nog steeds nieuwe dingen. In de nieuwe komedie speelt Robin Williams bijvoorbeeld een acteur die onscherp is geworden. Iedereen ziet hem als een vage vlek.

“Het Rotterdamse filmfestival is op de eerste plaats een festival voor het publiek. In Cannes en Venetië komen bijna geen gewone filmliefhebbers. Voor hen en voor mij selecteer ik de films. Een festivaldirecteur programmeert niet alleen wat hij gezien heeft, maar ook wat hij zou willen zien. Ik heb nu zelf alle films gezien die strijden om de drie Tiger Awards, en bijna tweederde van het hoofdprogramma. Meer zal het waarschijnlijk niet worden. Tijdens het festival rent een directeur rond. Ik moet naar de recepties en debatten, gasten aan elkaar voorstellen, sterren - voor Rotterdamse begrippen - als Takeshi Kitano welkom heten en onbekende regisseurs het gevoel geven dat ook zij er toe doen.

“Voor de professionele filmwereld is Rotterdam bijzonder door de Cinemart. Daar hopen regisseurs en producenten financiers te vinden voor hun projecten. De Cinemart bestaat nu twaalf jaar en is een groot succes. Veel festivals hebben het concept gekopieerd. Films als Breaking the Waves van Lars von Trier en Trees Lounge van Steve Buscemi vonden in Rotterdam hun eerste financiering.”

LA VIE DE JÉSUS Regie: Bruno Dumont. Frankrijk, 1997. Hoofdprogramma. Bekroond met de prijs voor de beste Europese debuut. La Vie de Jésus werd in januari in de Nederlandse filmhuizen vertoond als reclame voor het Rotterdamse festival.

Field: “Vorig jaar maakten we promotie met Basquiat van Julian Schnabel, die ook het festival opende. Dit jaar koos ik voor de film van Dumont omdat die beter bij de geest van Rotterdam past. Het is een 'Rotterdamfilm', zoals sommigen dat noemen. Ik kan wel omschrijven wat dat is. Een 'Rotterdamfilm' is de grillige eerste of tweede film van een liefst jonge regisseur, bij voorkeur geen Amerikaan, die met een bescheiden budget gemaakt is. De film moet authentiek overkomen en een origineel onderwerp hebben, dat toch in een bepaalde traditie staat, bijvoorbeeld verwijst naar het neorealisme. Vaak gaat zo'n film over de lower class.

“Dumonts film gaat over een verloren generatie jongeren in Noord-Frankrijk. Racisme en jaloezie maken de moord op een Arabische jongen bijna onvermijdelijk. Dumont probeert geen gemakkelijke conclusie te trekken, zijn film laat de kijker met het probleem zitten. Want je kunt de moordenaar als persoon niet verwerpen.”

HET LOON VAN DE ANGST Regie: Henri-Georges Clouzot, Frankrijk, 1952. Niet op het festival.

Op de middelbare school ben ik aan film verslaafd geraakt. Op de filmclub zag ik films als 12 Angry Man van Sidney Lumet en Het loon van de angst van Henri-Georges Clouzot. Ik herinner me de geweldige spanning van die film. Yves Montand moet ergens in Zuid-Amerika een vrachtwagen met nitroglycerine vervoeren. Elke hindernis kan de springstof tot ontploffing brengen. Je zit maar te wachten tot er iets gebeurt.

“Tijdens mijn studie sociologie aan de universiteit van Essex studeerde ik niet zoveel. Nu zat ik zelf in de filmclub. Het was 1967, 1968, en we lieten van alles zien: westerns en underground en Franse nouvelle vague. Mijn helden waren Godard, Michael Snow, Orson Welles en John Ford.

De filmclub was mijn opleiding. Filmcursussen waren toen nog schaars, ik kon er pas een gaan volgen toen ik in Londen ging wonen. Maar ook daar leerde ik vooral door naar de film te gaan. Dat kan nu niet meer. De bioscopen vertonen geen oude films meer; de repertory cinema bestaat nauwelijks meer. In Londen heb je alleen nog de Everyman, in Nederland het Filmmuseum. Je kunt bijna nergens het verleden zien. Filmgeschiedenis zou ook, net als literatuurgeschiedenis, op school moeten worden onderwezen.

Dat is geen taak van het festival. Ons educatieprogramma richt zich op de hedendaagse cinema. Onze retrospectieven zijn ook hedendaags, gaan over regisseurs die midden in hun carrière staan. Maar ook de hedendaagse cinema heeft begeleiding nodig. Door in de filmhuizen films te vertonen samen met een inleiding van een ingevoerde spreker, willen we een nieuw publiek aanspreken. We moeten jonge mensen laten zien dat er nog andere dingen bestaan dan Hollywood. Als we dat niet doen, vrees ik dat de gemiddelde leeftijd van de festivalbezoeker steeds hoger wordt.''

THIS SIDE OF PARADISE Regie: Ernie Gehr. VS, 1992. Filmmakers in Focus. Gehr is een van de drie regisseurs aan wie Rotterdam een retrospectief wijdt. De andere twee zijn Aleksandr Sokoerov en Mochizuki Rokuro.

Field: “Het wordt moeilijker om regisseurs te ontdekken. Er komen steeds meer filmfestivals en die willen allemaal hun eigen retrospectief.

Niet bekend

SICK Regie: Kirby Dick. VS, 1997. Opgenomen in The Cruel Machine, het themaprogramma over geweld.

“Sick is een documentaire over de vorig jaar overleden SM-performancekunstenaar Bob Flanagan. Kirby Dick laat bijvoorbeeld zien hoe Flanagan een spijker door zijn penis drijft. Sick is een moeilijke en ontroerende film. Dick zoekt geen sensatie. Hij laat ervaringen zien die ik nooit heb gehad, maar die ik nu wel kan delen.”

THE LONG JOURNEY (Ai xuoi Van Ly). Regie: Le Hoang. Vietnam, 1997. VPRO Tiger Awards Competitie. Gemaakt met steun van het Hubert Bals Fonds.Field: “Deze film laat Vietnam zien zoals het nu is. Hij gaat over een jongeman die de as van een gesneuvelde kameraad naar diens familie wil brengen. Het is een overtuigend echt verhaal, dat laat zien hoe belangrijk het begrip 'thuis' is in de Vietnamese cultuur.

“Een van de grootse tradities van Rotterdam is het tonen van films uit Azië, Afrika en Latijns Amerika in het Westen. Hollywood toont ons alleen de Amerikaanse manier van leven. Deze films laten zien hoe het elders is. Fascinatie voor het exotische speelt in de bioscoop heel vaak een rol, daar moet je niet bang voor zijn. Zulke films geven je de mogelijkheid om andere mensen te bekijken, om even hun leven te leven. Door middel van het Hubert Bals Fonds zorgt het festival er ook voor dat deze films gemaakt kunnen worden. Het fonds bestaat nu tien jaar. De kwaliteit van de films is dit jaar hoog. Behalve The Long Journey dingen nog twee met steun van het fonds gemaakte films mee naar de Tiger Awards: Who the hell is Juliette uit Mexico en Dance of the Wind uit India. De Bals-films hoeven overigens niet altijd als eerste in Rotterdam vertoond te worden. Ik was trots dat East palace west palace van Zhang Yuan op het festival van Cannes in premiere ging.”

BE NOW HERE (Welcome to the Neighborhood). Regie: Michael Naimark. Installatie getoond in V2. Onderdeel van Exploding Cinema.

Film kan tegenwoordig overal zijn: het bewegende beeld is een onderdeel geworden van bijna alle andere kunsten. Daarom hebben we de samenwerking met Rotterdamse kunstinstellingen uitgebreid. We werken onder anderen samen met Witte de With, museum Boijmans Van Beuningen en kunstruimte V2.

“Michael Naimark heeft een instrument bedacht dat het mogelijk maakt verschillende ruimtes bijna tegelijk te ervaren. De toeschouwer staat op een ronddraaiend platform en ziet videoprojecties van het straatleven in Jeruzalem, Dubrovnik, Timboektoe en Angkor. Het straatrumoer is ook te horen. Naimark laat je zo het contrast tussen deze vier steden voelen. Zijn werk levert in V2 een fysieke ervaring op.

“Het hart van het festival is nog steeds de speelfilm. Daar zorgen nieuwe technieken voor verandering. Digitale apparatuur maakt bijvoorbeeld filmen goedkoper. Dat levert voor de filmmakers vrijheid op. Volgend jaar zal het festival een speciaal programma aan de gevolgen van de digitalisatie wijden.”

LONE STAR Regie: John Sayles. VS, 1996. Vorig jaar in Rotterdam vertoond in het hoofdprogramma.

“Oude technieken zijn nog steeds niet uitgeput. In zijn vorige film, Lone Star, maakte John Sayles opmerkelijk gebruik van de dissolve. De dissolve is een standaardtechniek om twee scènes in elkaar te laten overvloeien. Meestal geeft het aan dat er wat tijd is verstreken. Sayles, een onafhankelijke Amerikaanse regisseur, doet dat ook, maar bij hem heeft het gebruik nog een andere functie. Hij lijkt er mee aan te geven dat er eigenlijk geen grenzen bestaan tussen bepaalde gebeurtenissen. De tijd is bij hem echt vloeiend geworden.”

FUNNY GAMES Regie: Michael Haneke. Oostenrijk, 1997. Onderwerp van veel discussie na vertoning op het festival van Cannes. Het programma The Cruel Machine is rondom deze film gebouwd.

“You can't have your cake and eat it”, zegt het spreekwoord. Michael Haneke doet het toch. Het Filmfestival ook. We tonen zowel Funny Games als Italiaanse horrorfilms, de bloedorgieën van Dario Argento bijvoorbeeld. Funny Games toont geweld en tegelijkertijd bekritiseert Haneke het tonen van geweld. Zijn film lijkt op het eerste gezicht op een thriller als Cape Fear, waarin een familie geterroriseerd wordt. Als je Cape Fear ziet, ben je gespannen, bang, onzeker. Uiteindelijk word je gerustgesteld. In Funny Games gebeurt dat niet. Daarom ga je nadenken over je verhouding tot gewelddadige films. Zie je die voor je plezier? Haneke is een moralistische meester van de cinema. Koel en berekenend creëert hij een nieuw soort horrorfilm, een horrorfilm die andere emoties bespeelt dan tot nu toe gebruikelijk.”

FELICE...FELICE.... Regie: Peter Delpeut. Nederland, 1998. Openingsfilm. Hoofdprogramma. Het is de eerste keer sinds 1992 dat een Nederlandse film het festival opent.

“1998 is een goed jaar voor de Nederlandse film op het Rotterdamse Filmfestival. Een aantal films was nu net klaar. Vorig jaar gingen veel films die ik misschien had willen hebben al in première op het Nederlands Filmfestival in Utrecht. Ik wilde de film van Peter Delpeut graag hebben wegens eerder werk dat ik van hem gezien heb. Hij vermengt found footage met drama en dat levert een poëtisch mengsel op. Ik deel Delpeuts liefde voor de paradox. De film is Nederlands en internationaal tegelijk. Hij speelt zich af in Japan, maar werd gemaakt in een Amsterdamse studio. Blij ben ik ook met Vive Elle, de eerste speelfilm van Miriam Kruishoop, die meedingt naar een Tiger Award. Kruishoop is een eigenzinnig talent en dat moet Rotterdam koesteren.

“Nederlandse films zullen het wegens de taal internationaal altijd moeilijk hebben. Filmmakers zijn gedoemd tot het maken van internationale coproducties of het bedienen van de festivalmarkt. Filmliefhebbers staan er hier beter voor. Er zijn in Nederland veel meer verschillende soorten film te zien dan in bijvoorbeeld Engeland.

“Ik heb een contract voor 4 jaar. Ik kan me wel voorstellen dat ik langer directeur blijf. Ik heb altijd films aan mensen willen laten zien. Door te programmeren, door te schrijven, later misschien door te produceren. De impuls is dezelfde. 'Kijk nu hier eens naar'.”

SNOW WHITE AND THE SEVEN DWARFS Producent: Walt Disney. VS, 1937. Niet op het festival.

Field: “Het was een mengsel van betovering en angst. Als het eng werd, dook ik weg achter de stoelen. Maar ik keek naar een verhaal waaraan ik niet kon ontsnappen. Mijn hoofd kwam weer omhoog, ik móest kijken. In de bioscoop verlies je soms de controle. De film beheerst je.”