Kennedy, Johnson, Nixon en de aan/uitknop; All the President's Tapes

Ernest R. May & Philip D. Zelikow: The Kennedy Tapes. Inside the White House During the Cuban Missile Crisis. The Belknap Press/Harvard University Press, 728 blz. ƒ 84,70 Michael R. Beschloss: Taking Charge. The Johnson White House Tapes, 1963-1964. Simon & Schuster, 591 blz. ƒ 73,75

Seymour M. Hersh: The Dark Side of Camelot. Little, Brown & Company, 498 blz. ƒ 65,60

Het onbelemmerd volgen van de hoogste politieke leiders en hun onmiddellijke omgeving tot in de binnenste binnenkamers van de macht is in de geschiedschrijving een betrekkelijk nieuw, maar vermoedelijk ook al weer gedateerd, verschijnsel. We kenden de memoires, de biografieën en andere historische verhandelingen, de officiële memoranda, de dagboeken en persoonlijke notities van adviseurs, tolken en behandelende artsen, maar de directe weergave van het door de leiders en hun medewerkers en gasten gesprokene ontbrak. Sinds Amerikaanse presidenten hun (telefoon)gesprekken en vergaderingen op de band zijn gaan vastleggen en die banden nu, na jaren wachten, in transcriptie in de openbaarheid komen, wordt er aan de kennis van politieke voorvallen en ontwikkelingen een dimensie toegevoegd.

De illusie kan zo ontstaan dat geen geheim meer veilig is voor de speurende oren en ogen van journalist en historicus. Of dat ook zo is, is de vraag. Niet alleen zijn de achterhaalde tapes vaak onvolledig en gecensureerd en blijft de betekenis van het geregistreerde nogal eens duister. Bovendien hebben politici al weer hun bekomst van al te exacte verslaggeving. Op de vraag van de bezorger van de Johnson-tapes, de historicus Beschloss, of hij systematisch opnamen van zijn gesprekken maakte reageerde president Clinton slechts met een lachje en het schudden van zijn hoofd.

Eind vorig jaar zijn transcripties in boekvorm gepubliceerd van bandopnamen, gemaakt in opdracht van respectievelijk de Democraten John F. Kennedy (1961-'63) en Lyndon B. Johnson (1963-'69) en de Republikein Richard M. Nixon (1969-'74). De Kennedy-tapes hebben in de Verenigde Staten enige opschudding veroorzaakt doordat zij verslag doen van het topberaad gedurende de gevaarlijkste crisis uit de Koude Oorlog: gevolg van de heimelijke opstelling van Russische atoomraketten op Cuba in de zomer en herfst van 1962.

Johnsons banden zijn door hun gevarieerdheid van een andere orde. Deze president is de hardnekkigste afluisteraar gebleken van zichzelf en van zijn gesprekspartners. Hij breidde Kennedy's systeem aanzienlijk uit en nam in totaal 9.500 gesprekken op - over zijn gehele regeerperiode ongeveer 643 uur aan opnamen. Waar de Kennedy-tapes inzicht geven in een specifiek moment van crisis management op het hoogste niveau, tonen Johnsons banden de politieke golfslag van alle dag: Vietnam, wetgeving, rassenkwesties. Overigens zijn nog slechts de banden over de periode 1963-'64 uitgewerkt. De ondergang van de regering-Johnson in het Vietnamese moeras ontbreekt hier derhalve.

In de slaapkamer

Over het algemeen hebben de betrokken presidenten hun systemen als een staatsgeheim bewaard. Een uiterst kleine kring van vertrouwelingen - een enkele naaste medewerker, de persoonlijke secretaresse en de leden van de Secret Service die het systeem bedienden - was op de hoogte. De meeste presidentiële adviseurs wisten niet dat hun uitlatingen direct werden geregistreerd. Wel toonde Johnson zijn politieke tegenstander en latere opvolger Richard Nixon tijdens diens bezoek aan het Witte Huis de opname-apparatuur in de presidentiële werk- en slaapkamers. Nixon liet het systeem bij zijn aantreden in 1969 onmiddellijk afbreken. Maar begin 1971 installeerde hij nieuwe apparatuur. Zijn stafchef Haldeman, vermoedend dat Nixon niet met de knoppen 'aan' en 'uit' overweg kon, koos voor een door de menselijke stem te activeren systeem. Het resultaat was 3.700 uur aan opnamen over een periode van nog geen tweeëneenhalf jaar.

Op 16 juli 1973 onthulde Alexander Butterfield, een assistent van Haldeman, tegenover een onderzoekscommissie van de Senaat het bestaan van de banden. Amerika reageerde geschokt op het feit dat het staatshoofd in het geniep zijn gesprekken vastlegde. Dankzij de tapes kwam vast te staan dat Nixon persoonlijk het klimaat had geschapen waarin, tijdens de presidentiële verkiezingscampagne van 1972, de inbraak door Nixon-getrouwen kon plaatshebben in het hoofdkwartier van de Democratische partij in het Watergate-gebouw te Washington. Verder bleek de president zijn mannen actief te hebben aangezet tot de cover-up: het in de doofpot stoppen van het misdrijf en het afkopen van de zwijgzaamheid van de gearresteerde daders. De banden, eenmaal afgestaan, bezegelden Nixons ondergang.

Nixons banden mogen de ontknoping van zijn presidentschap hebben bevorderd, de historische betekenis van de tapes in het algemeen moet nog blijken. De transcripties lijken vooral mijngangen waarin materiaal ligt te wachten voor nadere exploratie. Beschloss plaatst een zinnig accent: het maken van een zo betrouwbaar mogelijke transcriptie kan op zijn best slechts het voorwerk zijn ten behoeve van wetenschappelijke analyse en beoordeling.

President Kennedy had als gewoonte zijn naaste adviseurs in een eerste overlegronde buiten zijn aanwezigheid van gedachten te laten wisselen. Hij veronderstelde dat zijn medewerkers zich tegenover elkaar spontaner en gedurfder zouden uitlaten dan in zijn bijzijn. Die gewoonte werd ook gevolgd in de speciaal voor behandeling van de Cuba-crisis van 1962 opgerichte Executive Committee (ExComm). De tapes geven geen uitsluitsel of Kennedy's aanpak werkte. Sommige sprekers, minister van Defensie Robert McNamara voorop, bleken dikwijls geen enkele moeite te hebben hun hoogste baas in de rede te vallen om zijn niet altijd navolgbare gedachtesprongen te onderbreken. Op andere momenten, als de president duidelijk maakte waar zijn prioriteit lag, voegden de adviseurs zich dan weer opvallend gehoorzaam.

Massale luchtaanval

Soms vergat Kennedy de afluisterapparatuur buiten werking te stellen als hij de vergaderruimte verliet. In de morgen van 19 oktober 1962 had de president de Verenigde Chefs van Staven bij zich ontboden. Doorgaans waren die in het hoogste beraad vertegenwoordigd door hun voorzitter, generaal Maxwell Taylor. De Chiefs lieten die dag geen twijfel bestaan over hun voorkeur voor een harde aanpak van het Cuba van Castro en diens Sovjet-gasten. Een massale luchtaanval zonder voorafgaande waarschuwing, luidde hun advies. Op Taylor na waren zij bovendien voorstander van een spoedige invasie van het eiland.

Niet bekend

Het incident zou betekenis hebben kunnen krijgen als aanwijzing dat tijdens de Cuba-crisis in Washington een sfeer was ontstaan waarin een staatsgreep had kunnen plaatshebben door gefrustreerde hoge militairen. Chroesjtsjov zelf heeft verklaard dat Robert Kennedy in een gesprek met Sovjet-ambassadeur Dobrynin die mogelijkheid had geopperd. Maar Dobrynin ontkende in januari 1989 in Moskou tijdens een wetenschappelijke conferentie over de Cuba-crisis dat de broer van de president hem een ultimatum had gesteld dan wel hem had gewaarschuwd voor een staatsgreep of het verlies van controle door de (Amerikaanse) regering over de militairen. Wel is, op grond van beschikbaar gekomen Sovjet-archieven, vast komen te staan dat de jongere Kennedy met instemming van de president en buiten medeweten van de andere leden van de regering al maanden tevoren een eigen verbinding met de Sovjet-ambassade had gelegd waarlangs het uiteindelijke compromis tot stand kwam dat een einde maakte aan de crisis.

Na de moord op president Kennedy op 22 november 1963 in Dallas, Texas, ontwikkelde de relatie tussen Kennedy's opvolger, Johnson, en Robert Kennedy zich snel naar een anticlimax. Uit de tapes van Johnson blijkt dat de nieuwe president aanvankelijk de voorkeur gaf aan een onderzoek naar de moordaanslag door de justitie van Texas. Maar Robert Kennedy wilde een speciale presidentiële commissie. Johnson beschouwde dit als een belediging van de staat die hij jarenlang in de Senaat had vertegenwoordigd.

Uiteindelijk gaf Johnson toe. De Warren Commissie (genoemd naar de voorzitter van het Hooggerechtshof die het onderzoek leidde) kwam tot de, tot op heden omstreden, conclusie dat Kennedy door één dader, Lee Harvey Oswald, was gedood en dat er geen sprake was geweest van een samenzwering. Een conclusie die des te opvallender was omdat de direct betrokkenen - Johnson en de Kennedy's - en ook Chroesjtsjov van meet af aan het bestaan van een complot hadden verondersteld.

Tafelronde

In het verkiezingsjaar 1960 hadden de wegen van de Kennedy's, Johnson en Nixon elkaar gekruist. De verschillende tapes geven daarover weinig directe informatie. Des te meer aandacht krijgen de gebeurtenissen van toen in The Dark Side of Camelot van de voormalige New York Times-verslaggever Seymour Hersh. Camelot, de tafelronde van de legendarische koning Arthur, was het journalistieke koosnaampje voor de Kennedy's en hun hofhouding van intellectuelen en kunstenaars. Hersh vestigde zijn reputatie als onderzoeksjournalist met de onthulling over My Lai, een Vietnamees dorp dat door een Amerikaanse patrouille was uitgemoord en dat symbool werd voor de ontsporingen van de Amerikaanse oorlogsmachine.

Volgens Hersh had in 1960 Johnson John Kennedy gechanteerd, en had Kennedy met behulp van mafia-connecties van zijn vader de verkiezingen van november van Nixon gestolen. Inderdaad had de geringe meerderheid waarmee Kennedy won - 118.000 op een totaal van 68 miljoen uitgebrachte stemmen - al direct na die verkiezingen tot indringende vragen over mogelijke fraude geleid. De uiterst kleine meerderheid - minder dan 9.400 stemmen - waarmee Illinois Kennedy aan zijn zege hielp, versterkte het vermoeden dat burgemeester Richard Daley, die de politiek in Chicago volledig beheerste, zijn partijgenoot met oneigenlijke middelen over de streep had geholpen.

Hersh gaat vele stappen verder. Hij meent een relatie te hebben getraceerd tussen de Kennedy's en de mob-baas Sam Giancana. Deze zou Kennedy niet alleen aan de eindoverwinning hebben geholpen, maar hij zou ook al in beslissende voorverkiezingen binnen het Democratische kamp stemmen hebben geworven voor de oudste nog levende zoon van een oude makker in duistere zaken, Ambassador Joe Kennedy. De liaison tussen Giancana en John Kennedy zou een jeugdige Californische zijn geweest die met beide mannen een intieme relatie aanknoopte. Met de president zou zij in het Witte Huis het echtelijke bed hebben gedeeld. De vrouw was aan Kennedy voorgesteld door de zanger en entertainer Frank Sinatra, een oude bekende van Giancana. Sinatra bracht de president ook in amoureus contact met de filmster Marilyn Monroe.

Hersh schrijft zijn inlichtingen te hebben verzameld bij personen die destijds in een min of meer vertrouwelijke relatie tot de hoofdrolspelers in zijn verhaal stonden en uit gedocumenteerde getuigenverklaringen die in de loop der jaren, ondermeer ten behoeve van de John F. Kennedy Library, zijn afgelegd. Hoewel daardoor veel van horen zeggen is, lijkt zijn verhaal serieuzer te moeten worden genomen dan de oude Kennedy-aanhang momenteel bereid is te doen. Zo hebben vier voormalige leden van de Secret Service, die voor de directe beveiliging van Kennedy waren aangewezen, onafhankelijk van elkaar mededelingen gedaan over de verregaande politieke en levensbedreigende risico's die John Kennedy als president liep in zijn seksuele betrekkingen met vrouwen van uiteenlopend allooi.

Volgens Hersh is Johnson van Kennedy's roekeloze uitspattingen op de hoogte gesteld door J. Edgar Hoover, de chef van de FBI, een vrijgezel die het als zijn speciale taak zag de libidineuze gangen van hoogwaardigheidsbekleders in Washington na te gaan. Johnson zou die kennis hebben gebruikt om zich als kandidaat voor het vice-presidentschap bij Kennedy op te dringen. Kennedy's keuze voor Johnson als running mate was zelfs voor broer Robert een verrassing.

Dit verhaal doet nogal gezocht aan. Johnson was een productieve en gevreesde meerderheidsleider in de Senaat. Maar hij was ook een trouwe partijganger die evenals de presidentskandidaat wist dat het behoud van de stemmen van 'zijn' Texas van belang was voor een Democratische overwinning in november. Het vice-presidentschap was stilstaand water, weliswaar een hartslag verwijderd van het Witte Huis, maar Kennedy wekte niet de indruk snel ruimte te zullen maken. Gezien de dynastieke aspiraties van de Kennedy's zou Johnson onder normale omstandigheden ook na twee Kennedy-termijnen zo goed als zeker kansloos zijn gebleven voor de opvolging.

Paranoia

De machinaties van de Kennedy's en van de Democraten in het algemeen tegenover hem zouden de oorzaak zijn geweest van de paranoia waarvan Nixon in 1972, het jaar van de campagne voor zijn herverkiezing, blijk gaf. Niet alleen had Nixon het in 1960 tegen Kennedy moeten afleggen, twee jaar later ontging hem het gouverneurschap van Californië, de staat waar hij was geboren en waar hij zijn politieke loopbaan was begonnen.

De impuls voor de inbraak in het Watergate-gebouw lag in de gebeurtenissen van de voorgaande twaalf jaren. Na de debacles voor Nixon van 1960 en '62 had tijdens de campagne van 1968 Johnson de FBI het vliegtuig waarmee Nixon door het land trok van afluisterapparatuur laten voorzien. De reden daarvoor was dat de president Nixon verdacht van het onderhouden van geheime betrekkingen met de leiders in Saigon om het op gang gekomen vredesoverleg met de Vietnamese communisten te torpederen en zo de Democraten een verkiezingszege te onthouden. In 1972 verwachtte Nixon soortgelijke sabotage van Democratische zijde. De inbraak in het hoofdkwartier van de Democraten moest hem aan informatie daarover helpen.

Uiteindelijk bleek het Watergate-schandaal een voorzet tot politieke zelfmoord-op-termijn. Nixon won de verkiezingen met een aardverschuiving. Maar toen was het onheil al geschied. In 1974 moest Nixon voortijdig aftreden, een unicum in de Amerikaanse geschiedenis. Zijn tapes hadden hem de laatste zet over de rand van de afgrond gegeven.

Sindsdien lijkt het Witte Huis verschoond van opname-apparatuur. Alhoewel.... Wat zeggen een enkel presidentieel lachje en een hoofdknik?