Intieme roman van Marianne Fredriksson, Het wankele houvast der generaties

Marianne Fredriksson: Anna, Hanna en Johanna. Over drie generaties vrouwen. Uit het Zweeds vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen. De Geus, 351 blz. ƒ 49,90

De Scandinavische literatuur houdt van huwelijken en generaties. Lees Ibsen en Strindberg er maar op na; altijd de loep gelegd op de huiskamer en daarbinnen de tragiek van de mens opgespoord en uitvergroot. Peter Hgs monumentale roman Voorstelling van de twintigste eeuw, die enkele honderden jaren omspant, gaat uiteindelijk over vaders en zonen, moeders en dochters. En dan is er Anna, Hanna en Johanna, een boek dat terecht over heel Europa furore maakt. De Zweedse schrijfster Marianne Fredriksson (1927) beschrijft hierin drie generaties vrouwen, te beginnen in 1883.

Toch verschilt Fredriksson sterk van de immer conflictzoekende dramaschrijvers als Ibsen en Strindberg. Haar boek getuigt van subtiel verhuld drama, ingetogen tragiek, verzwegen en verborgen gehouden leed. Dat daardoor des te aangrijpender is. De drie vrouwelijke personages naar wie het boek is genoemd hebben aldoor geleefd in de schaduw van mannen, een levenshouding die erger klinkt dan ze lijkt. Het is vooral Fredrikssons bijna terloopse, losse manier van schrijven die haar boek een intiem karakter geeft. Het is niet strijdvaardig, het is niet vóór de vrouw en tégen de man. Het boek heeft geen dwingende boodschap.

De Anna uit de titel is de dochter van Johanna, een demente vrouw. Hanna, Anna's grootmoeder, leeft nog steeds sterk in de verbeelding van Johanna. Maar omdat zij geestelijk geen greep heeft op haar geheugen, omdat het leven haar is ontvloden zoals aan het echtpaar in Bernlefs Hersenschimmen, gaat de dochter op onderzoek uit. Zij is een kind van de losgeslagen jaren zestig. De suggestie van vrijheid en liefde-voor-het-oprapen uit die tijd wordt door Fredriksson stap voor stap ontzenuwd. 'Over drie generaties vrouwen' luidt de ondertitel, maar ik zie meer in het boek: ik zie erin de moeilijkheden die vrouwen ondervinden, ondanks alle gelijkberechtiging.

Op de eerste bladzijde zet de schrijfster uiteen waar het haar in deze kroniek om te doen is, en ze doet dat in de stijl die het hele boek zo innemend maakt, scherpzinnig en tegelijk terughoudend: 'De zonden der vaderen gaan over op de kinderen tot in het derde geslacht. Dat leerden wij op school toen er nog catechismus werd gegeven. Ik herinner me dat we dat vreselijk onrechtvaardig, primitief en belachelijk vonden. Wij hoorden immers tot de eerste generatie die werd opgevoed tot 'zelfstandige' mensen die hun lot in eigen hand moesten nemen. Langzamerhand, naarmate de kennis over de invloed van de sociale en psychologische erfenis toenam, kreeg de bijbelspreuk betekenis. Onze vaste patronen, ons gedrag en onze manier van reageren zijn in veel grotere mate een kwestie van overerving dan we hebben willen toegeven. (-) Over de daden van de moeders zijn er geen bijbelspreuken, hoewel ze vermoedelijk een grotere betekenis hebben dan die van de vaders. Oeroude patronen worden doorgegeven van moeders op dochters die nieuwe dochters krijgen, die nieuwe dochters... Misschien ligt hierin de verklaring dat vrouwen het zo moeilijk hebben gevonden om voet bij stuk te houden en de rechten te benutten die de maatschappij van gelijkberechtiging te bieden heeft.'

Zo, in kort bestek, geeft Fredriksson het fundament van haar boek. Ze beschrijft in de sterke gestalte van haar grootmoeder dat oeroude patroon, toen families op het land leefden in boerderijen waar wetten en rituelen golden, die de mens beschutting, houvast en kracht gaven. In het hoofdstuk over Anna's grootmoeder Hanna (1871-1964) schetst de schrijfster het beeld van dat leven op vaste grondslag. Het ritme van de natuur, dochters die uitgehuwelijkt werden, de vaak pijnlijke geboorte van kinderen bij moeders die zelf maar net kind af zijn: het is een bestaan dat nu, terugblikkend, onvoorstelbaar is maar dat feitelijk de bron vormt voor de zelfstandigheidsroes van twee generaties later.

De verbindende schakel is Johanna, de moeder, geboren in 1902 en gestorven in 1987. Liefde, huwelijk en moederschap zijn voor haar lang niet zo vanzelfsprekend als voor de grootmoeder. In haar begint de vertwijfeling al te knagen aan de zogeheten vaste waarden. Zij is sociaal-democrate en vecht voor de gelijke berechtiging van man en vrouw. In dat nobele streven wordt zij gesteund door een man die haar toekomstige echtgenoot zal worden. Na idyllisch beschreven liefdesnachten op een zeilboot in de scherenkust bij Stockholm volgt een taai en hard huwelijksleven. De man drinkt, heeft aanvallen van woede, slaat haar. Johanna laat het toe, gaat weg en komt terug, haar moeder werd ook geslagen, het hoort bij het leven.

Anna tot slot, de dochter die het boek uiteindelijk heeft geschreven, vecht met deze tweezijdige erfenis. Die van haar grootmoeder die het leven van een vrouw in verhouding tot de man aanvaardt zoals het is en van Johanna die ertegen vecht en voor wie echtscheiding geen zonde is. Over het kind van gescheiden ouders dat een vader en moeder heeft die niet samenwonen, doet Fredriksson een uitspraak die ze als een terzijde noteert maar waaraan een groot inzicht ten grondslag ligt. Ze schrijft over een man en vrouw uit Anna's leven: 'Maria was niet getrouwd. Malin ook niet. Ze leefden zoals mannen door de eeuwen heen hadden gedaan; ze werden af en toe verliefd en hadden soms korte relaties. Maar allebei hadden ze een kind, vrije kinderen, die het spel in de duivelse driehoek van vader, moeder, kind niet hoefden te spelen.'

Met dit besef komen we uit bij Anna, de vrouw die het geluk zoekt zoals haar moeder en grootmoeder dat deden, maar voor wie er vooral veel onzekerheden bestaan. Begeerte is voor haar geen levensvervulling; de seksualiteit zonder tederheid, dus het rücksichtlose 'mannenwerk', brengt haar meer pijn en ongeluk dan een bevrijdende roes. Aan het eind neemt ze afscheid van het huis waar ze ooit gelukkig was en waarvan ze hield. En met het afscheid van dit huis, een mooi symbool, neemt ze afscheid van de waarden van eens en vroeger.

Een intiem boek als Anna, Hanna en Johanna weergeven in andere woorden dan die van Fredriksson is bijna vergeefs werk. Want de schrijfster heeft het minder over onderwerpen dan over een levenshouding, zoeken, het ingewikkelde bestel van verhoudingen. Ze toont meer dan ze verklaart. Ze beschrijft in een enkele scène meer dan alleen maar de relatie tussen man en vrouw of moeder en dochter. Met grote, dwingende suggestie maakt ze één ding duidelijk, zonder larmoyantie of aanklacht, maar als een dreigend gegeven: de vrouw staat alleen tegenover de man, zelfs tegenover haar moeder en grootmoeder. De ketting der generaties, die beschutting zou moeten bieden, is er een van houvast in vertwijfeling.