In hongerstaking

De Algerijn in 247 is in hongerstaking. De bewakers hebben geen idee waarom. Al vier dagen komt hij niet meer uit zijn cel, weigert alle voedsel en reageert nergens op. Als een mummie ligt hij op bed. Zelfs zijn Allah-gebeden heeft hij gestaakt.

Of ik wil bemiddelen, spreekt hij geen Frans? Bijna smekend kijkt het blokhoofd me aan. Een hongerstaking betekent alleen maar gezeur en dat is hij meer dan beu.

Aarzelend stem ik toe. Met dat soort dingen moet je oppassen. Want voordat je het weet, word je als een matennaaier beschouwd die de bewakers helpt. Maar van de andere kant staat het blokhoofd, als het lukt, bij je in het krijt en dat is nooit weg.

Als we zijn cel binnenkomen, ligt de Algerijn op bed. Hij heeft zijn ogen dicht en schenkt geen aandacht aan ons. “Youssef, Youssef, ik ben het.” Ik tik hem behoedzaam aan, maar hij reageert niet. “Je kunt me hier niet voor Jan lul laten staan, zeg iets”, dring ik aan.

Achter me hoor ik het blokhoofd nerveus heen en weer schuifelen. Opeens schiet Youssef omhoog. “Weet je wat het is om nooit je ouders te kunnen bellen? Ik zit hier al twee jaar. Weet je hoe dat voelt?”

Doordringend kijkt hij me aan. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Het lijkt me verschrikkelijk en elk woord lijkt me er een te veel.

“Wat kan ik van de ƒ 27,50 die ik hier per week verdien en waarvan een tientje voor de tv afgaat, ƒ 6,- voor een pakkie shag, ƒ 1,- voor de was en ƒ 3,- als afbetaling voor het koffieapparaat dat ik kapot heb geslagen? Weet je wat er overblijft, een lullige ƒ 7,50. Hoe kan ik daarvan ooit naar Algerije bellen? En collect call kan niet, daar zijn ze niet op aangesloten?”

Hij dreunt met zijn vuist op de rand van het bed, valt terug op het matras en begint hardop te bidden.

Ik vertaal zijn woorden. Als ik ben uitgesproken, kijkt het blokhoofd me hulpeloos aan. “Het enige dat ik kan bedenken is dat we die drie gulden afbetaling per week ongedaan maken”, oppert hij voorzichtig. “Meer zit er niet in, of hij moet zijn tv of shag eraan geven.”

Zwijgend kijk ik terug. We weten allebei dat het gelul is. Want wat moet de Algerijn in godsnaam zonder tv en shag? Dan heeft hij helemaal niks meer.

“Kan iemand niet wat geld op je rekening storten?”, probeer ik.

“Ik ken hier niemand en mijn ouders mogen niet weten dat ik in de bajes zit, dat wordt hun dood.”

“Blijf voorlopig in godsnaam werken”, bijt ik hem toe. “Want als je dat niet doet, halen ze ook nog je televisie en je shag weg en dan heb je helemaal niks meer.”

Hij sluit zijn ogen en begint opnieuw te bidden. Voorzichtig nokken we af. De bemiddeling is mislukt. Nog dezelfde avond slepen ze de Algerijn weg.