Holland en de Caraïbische droom; Een doolhof van teleurstellingen

Gert Oostindie: Het paradijs overzee. De 'Nederlandse' Caraïben en Nederland. Bert Bakker, 386 blz. ƒ 39,90

Ongeveer in het midden van Het Paradijs Overzee van Gert Oostindie staat een foto met als onderschrift: Dancing 'Casablanca', Amsterdam (ca. 1955). We zien dansende paren, zwarte mannen met blanke vrouwen, en een combo op de achtergrond met een zwarte bassist en een blanke pianist. De danser op de voorgrond draagt een lichte broek met bandplooien, een donker double-breasted colbert en een witte pet die toen in de mode moet zijn geweest. De vrouw heeft een witte blouse aan, waardoor de zwarte hand op haar rug sterk contrasteert: de vingers zijn iets gespreid en er wordt kracht uitgeoefend, de man drukt de vrouw kennelijk stevig tegen zich aan. Het is een omhelzing waar een lange geschiedenis achter schuilgaat en een ongewisse toekomst op volgt.

De man is uiteraard een afstammeling van slaven, zoals de vrouw een nakomeling kan zijn van slavenhouders. Maar zal hij nu hier blijven, in een klein plaatsje waar men hem 'de neger' zal noemen, of keert hij terug naar zijn paradijs overzee, misschien wel samen met haar, om daar de nationalistische revolutie te ontketenen en de banden met het moederland door te snijden?

En zij, de vrouw met de bruine krullen die haar blanke wang zo tegen de zijne vlijt, waar begint haar verhaal eigenlijk, en is er niet een kans dat zij nu ergens in een oud huis in een oude wijk zit te vloeken op al die vreemdelingen die de stad onveilig maken? Het kan zoveel kanten op gaan - zoals het ook begon met een warboel van vergissingen en verkeerde verwachtingen.

Oostindie, hoogleraar Caraïbische studies in Utrecht, voert ons inderdaad helemaal naar het begin, naar de eerste verhalen die de Europeanen elkaar op de mouw speldden over koningen die zich in de jungles van het Caraïbische gebied wasten in stofgoud. En hij brengt ons naar een (voorlopig) eind, als Surinamers en Antillianen elkaar praatjes verkopen over de straten van Amsterdam, waar zomaar biljetten van honderd gulden doorheen dwarrelen.

En tussen deze twee krankzinnige illusies bevinden zich de verschillende thema's die Oostindie onderbrengt in tien zelfstandige opstellen. Ze bieden ons een rondgang langs de geschiedenis van Nederland en zijn koloniën in 'de West', maar het nadeel van deze werkwijze is dat het niet altijd duidelijk wordt welke lezer hij voor ogen heeft. In het ene opstel spreekt hij tot de migranten hier, in het andere tot de nationalisten daar; soms richt hij zich tot de Nederlanders die hun eigen geschiedenis slecht kennen en soms tot specialisten die betrokken zijn bij het 'Stedman-debat'.

Desondanks zijn er genoeg originele beschouwingen, verrassende feiten en charmante anekdotes die van Het Paradijs Overzee een belangrijk, stimulerend en ook wel tragisch boek maken. Want je ziet die dappere blonde knullen voor je, die in het midden van de zestiende eeuw de woelige oversteek overleefden, om toch om te komen in de stille wateren van de Guyana's, door de helse koortsen van de tropen. En dan de indianen die werden uitgeroeid, louter omdat ze er waren en men geen raad met ze wist.

Na de mislukte zoektocht naar El Dorado raakte een nieuwe illusie in zwang: die van het groene paradijs. Steek een wandelstok in de grond en er groeit een boom uit, men geloofde het echt. Een Nederlands dichter sprak van de 'geyle gronden' van Suriname en planters van Barbados vatten het plan op schepen vol Surinaamse aarde naar het eiland te vervoeren, zodat men ook daar zulke weelderige oogsten aan koffie, suiker, katoen en cacao zou verkrijgen.

De waarheid is: die oogsten zijn nooit zo weelderig geweest, en als ze dat wel waren, dan alleen na gigantische investeringen, grootse bevloeiingsprojecten en kostbare afwateringsstelsels.

Het geld kwam echter gestaag binnen, dankzij de opwekkende pamfletten van Willem Usselinx, de grondlegger van een der eerste multinationals ter wereld, de West-Indische Compagnie. Vele rijken in het moederland bleken bereid een deel van hun kapitaal in de kolonie te beleggen, in plantages en in slaven, maar de verwachting van torenhoge winsten werd beschaamd. Na een korte bloeitijd werden de bedrijfsresultaten snel slechter, omdat de producten op de Nederlandse markt de concurrentie tegen de waren uit de Britse en Spaanse koloniën niet aankonden. En Nederland dwong wel mercantilisme af - Suriname mocht uitsluitend handel drijven met het moederland - maar bood in ruil daarvoor geen protectionisme aan, terwijl de andere Europese landen hun markten wel afschermden tegen mededinging van derden.

Dat is dor en droog het verhaal van de ondergang van het wingewest. Maar het gaat Oostindie niet alleen om het historische gegeven dat de Hollandse investeerders van de zeventiende en achttiende eeuw een illusie armer werden. Het gaat hem om de illusie die nog steeds wordt gekoesterd, door Surinaamse nationalisten en antikolonialen, dat Nederland een enorm fortuin heeft verdiend aan de slavenmaatschappij en daarom de (voormalige) koloniën tot in de eeuwigheid van alles verschuldigd is. De Amsterdamse grachtengordel, die is toch gedrenkt in slavenbloed? Oostindie vermeldt een hinderlijk feit: de Amsterdamse stadsuitbreiding vond al plaats enige tientallen jaren vóór de algehele kolonisatie van 'de West'.

Maar Nederland was toch een van de grootste handelaren in slaven uit West-Afrika? Nee dus. Het Nederlandse aandeel in de transatlantische slavenhandel bedroeg vijf procent.

En die vele miljoenen slaven dan, die naar Suriname werden gebracht en daar door Nederlandse slavenhouders werden mishandeld? Het ging niet om miljoenen, maar om zo'n vijfhonderdduizend, en de slavenhouders van Suriname waren overwegend sefardische en asjkenazische joden, Franse hugenoten, Engelsen en Duitsers.

Maar de slavernij in Suriname was toch zeker wreder dan waar ook in de Nieuwe Wereld! Tja, men kan erover twisten, maar hoogstwaarschijnlijk was het overal even wreed. En voor wie zich beroept op het boek van J.G. Stedman, die in 1796 een geruchtmakend verslag publiceerde over de manier waarop de slaven in Suriname werden behandeld: Stedman nam zelf ook een slaafje mee naar Nederland, een zekere Quaco, die hij vervolgens cadeau deed aan de gravin van Roosendaal.

Zo ontspint zich een dialoog tussen Gert Oostindie en degenen die de waarheid soms lastig vinden, om goede redenen overigens. Want Oostindie is een sympathiek historicus, die de nationalistische sentimenten van Surinamers en Antillianen zeer respecteert. Het is inderdaad makkelijker voor de identiteitsvorming om de geschiedenis voor te stellen als een relaas van gemene uitbuiting en heldhaftig verzet, schrijft hij, en dat is een beleefde, maar dodelijke vorm van begrip.

Dit betekent niet dat Oostindie simpelweg het moederland verdedigt. Zijn standpunt is dat Nederland daar niet zozeer veel kwaads heeft aangericht, alswel weinig goeds. Men moet zich voorstellen dat dit deel van de Nieuwe Wereld bijna letterlijk door Europeanen is 'vernieuwd': na de uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking werden Afrikanen en Aziaten ingevoerd, en ook de ecologische samenstelling van het gebied werd drastisch veranderd. Zelfs het suikerriet is uitheems en elke geit of koe die er rond loopt komt van elders.

Dat schept een veel verdergaande verantwoordelijkheid dan Nederland ooit heeft beseft. Ter vergelijking: op Cuba spreekt men Spaans, op Martinique Frans en op Trinidad Engels. Maar op Curaçao spreekt men papiaments en in Suriname beheerst alleen de bovenlaag vlekkeloos het Nederlands. Dat is veelzeggend.

Lange tijd mochten de slaven in Suriname niet eens gekerstend worden en toen dat wel gebeurde, enkele decennia voor de afschaffing van de slavernij, waren de zielenherders geen Nederlanders maar Duitse hernhutters.

In vergelijking met de andere kolonisators heeft Nederland nauwelijks sporen nagelaten in de leefwijzen, denkbeelden, mentaliteiten, gebruiken, vertellingen en andere uitingsvormen van de gekoloniseerden in het Caraibische gebied, en dat kan Nederland wèl worden verweten. Het ontbreken van een beschavingsmissie, een ethische opdracht, het inzicht dat de eigen cultuur het waard is om verbreid te worden, dat is waarin Nederland zich onderscheidt van de andere Europese mogendheden.

Nederland heeft de volkeren in 'de West' dus schromelijk aan hun lot overgelaten. Maar Oostindie toont ons hoe die volkeren, bij gebrek aan een moederland met gevoel voor eigenwaarde, zichzelf op eigen kracht zijn gaan 'beschaven'. Eerst waren het de lichtgekleurde creoolse elites die zich de verfijning van de Westerse cultuur eigen maakten. Zij stuurden hun kinderen naar Nederland om er te studeren, waardoor de intellectuelen ontstonden die in eigen land het onderwijs verbeterden en toegankelijker maakten. Nu konden ook de arme en donkere jongens naar Nederland, sinds het midden van de jaren vijftig, en hen zien we terug op de foto van 'dancing Casablanca'.

Sommigen bleven hier, zoals Gert Oostindies schoonvader Frank Koulen, die zich in Terneuzen vestigde en trouwde met het buurmeisje van de slager. Anderen werden nationalisten, die erkenning wilden van het eigen erfgoed, de eigen taal, de eigen helden en martelaren. Ze schreven gedichten en toneelstukken en herschreven de geschiedenis waarin Nederland er behoorlijk bekaaid van afkwam.

Wat dreef deze nationalisten? Vanwaar hun boze toon en hun behoefte om Nederland af te schilderen als hardvochtige onderdrukker? Kwam het omdat ze hier slecht werden behandeld? Dat is onwaarschijnlijk. Aan de hand van gesprekken met mensen als Frank Koulen weet Gert Oostindie te reconstrueren hoe men in die tijd over zwarten dacht. Het duurde even, en je werd in plaatsjes als Terneuzen altijd wel 'de neger' genoemd (zoals men het ook over 'de rooie' of 'de dikke' had), maar men zag vrij gauw in dat de ander was als een van ons, met eenzelfde kleinburgerlijke instelling en religieuze achtergrond.

Dat was vroeger wel anders, toen 'Surinaamsche Inboorlingen' nog attracties waren in tentoonstellingen, zoals die in Amsterdam in 1883. Oostindie vermeldt de verbazing van een journalist die een van de geëxposeerde wezens een handvol sigaren voorhield: dat die neger er maar één pakte, in plaats van allemaal!

Nee, de enkele Surinamers en Antillianen die in de jaren vijftig en zestig in Nederland waren hadden het zelfs beter dan degenen die met de grote exodus van de jaren zeventig kwamen. Vanwaar dan de trots en de felheid die nationalisten zo eigen is? Het is jammer dat Oostindie daar niet dieper op in gaat, want je hoeft slechts naar de foto te kijken om er een vermoeden van te krijgen. Deze jongens, die zo vrolijk met de roomblanke meisjes dansten, moesten natuurlijk ook veel vragen beantwoorden en verhalen vertellen over hun verre land en hun exotische afkomst. Het heeft waarschijnlijk geleid tot opschepperij, verheerlijking en romantisering, en voeg daarbij het heimwee dat zij in de lange winters gekoesterd moeten hebben en alle ingrediënten zijn aanwezig voor een houding van nationalistische hoogmoed en eigendunk.

Het is trouwens opvallend hoeveel zwarte nationalisten naar Suriname en de Antillen terugkeerden met een blanke echtgenote, zoals het ook opvallend is hoeveel van deze huwelijken in de tropen strandden, maar dat valt buiten het bestek van Oostindies boek. Wat hij wel met grote nadruk vaststelt is dat alle nationalisme in Suriname en op de Antillen in Nederland is gemaakt en dat al diegenen die nu hun antikoloniale retoriek van de daken schreeuwen, Desi Bouterse incluis, in Nederland zijn opgeleid.

Dat de droom van de nationalisten is uitgelopen op een regelrechte ramp mag bekend worden verondersteld. Suriname verloor dankzij de onafhankelijkheid meer dan een derde van zijn bevolking en raakte hopeloos in verval, waarop de Antillen en Aruba haastig vroegen om respijt. Maar ook dat kon de exodus niet meer tegenhouden. En al die honderdduizenden inwoners van de Nederlandse Caraïben die sinds het midden van de jaren zeventig hun woonplaats verlieten hadden een ding gemeen: een idee van Nederland, van P'tata, van Ulanda. Een verkeerd idee weliswaar, maar toch: het geeft volgens Gert Oostindie blijk van een succesvolle integratie in de Nederlandse cultuur.

Ondanks de onverschilligheid van het moederland hadden de mensen in de kolonie zich een beeld gevormd van een paradijs overzee, en hoe kon het anders dan dat het een treurige vergissing zou blijken? De fuik van de sociale voorzieningen, het gebrek aan sociale mobiliteit, de discriminatie en de vijandigheid, waar is het anders aan te wijten dan aan te hooggespannen verwachtingen?

Het is de rode draad van de relatie tussen Nederland en zijn Caraïbische gebiedsdelen, lijkt het. Want ook de inboorlingen die in 1883 naar Amsterdam werden gebracht hadden zo hun klachten. Hun was voorgehouden dat ze plechtig zouden worden ontvangen door de koning van Nederland en overladen zouden worden met giften. In plaats daarvan werden ze, zoals de teleurgestelde reisleider het zei, 'als vreemdsoortige beesten te kijk gesteld'. Ach, die beschaamde verwachtingen; het is zo Caraïbisch.