Hoe zjazez obbez Buzjo?; De Great Dutch Novel van J.J. Voskuil

J.J. Voskuil: Het A.P. Beerta-Instituut. Het Bureau 4. G.A. van Oorschot, 992 blz. ƒ 75,-/ƒ 105,- (geb.)

Het A.P. Beerta-Instituut, deel vier van Het Bureau, begint met een aanroep die recht doet aan het epische karakter van J.J. Voskuils autobiografische romancyclus. 'Vertel eerst eens, hoe gaat het met Beerta?' vraagt men aan de hoofdpersoon Maarten Koning. Alsof hij de Muze is die het lot moet bezingen van Anton P. Beerta, de markante figuur die als (voormalig) directeur van het volkskundig instituut waar Maarten werkt zo'n belangrijke rol speelde in de eerdere Bureau-delen Meneer Beerta, Vuile handen en Plankton.

Meneer Beerta is niet dood, zoals veel lezers van Het Bureau zullen hebben gedacht toen de wispelturige wetenschapper aan het eind van deel drie een zware beroerte kreeg ('Anton is plankton geworden'). Hij is halfzijdig verlamd zonder uitzicht op herstel, maar boekt in de viereneenhalf jaar die deel vier beslaat - de periode 1975-1979 - niettemin vorderingen. Verhuisd van hospitaal naar verpleegtehuis kan hij na verloop van tijd zelfs met enige moeite praten met Maarten, die hem trouw elke dinsdag bezoekt en van de gebeurtenissen op het Bureau op de hoogte houdt. Zijn steeds terugkerende vraag hoe het staat op het Bureau ('Hoe zjazez obbez Buzjo?') is het leidmotief van Het A.P. Beerta-Instituut, dat eindigt op Beerta's tachtigste verjaardag, wanneer het Bureau voor Volkstaal, Volkscultuur en Volksnamen officieel naar hem vernoemd wordt.

Het lijden van de oude Beerta is niet de enige tegenslag waarmee Maarten Koning, het alter ego van de etnoloog in ruste Voskuil, geconfronteerd wordt in de bijna duizend bladzijden van Het A.P. Beerta-Instituut. Als chef-tegen-wil-en-dank van de afdeling Volkscultuur wordt hij verantwoordelijk voor een nieuw wetenschappelijk tijdschrift (Het Bulletin) dat moet worden opgezet nadat de samenwerking met de Vlaamse collega's in Ons Tijdschrift is verbroken. Het Bureau wordt bedreigd met opheffing en weet ternauwernood een departementale visitatiecommissie te overtuigen van het nut van het gedane onderzoek. Maarten heeft groeiende problemen met zijn naaste collega's, de lijntrekker Ad en de scherpslijper Bart. En privé krijgt hij te maken met de dood van zijn poes Jonas en de dementie van zijn schoonmoeder. Maar hij slaat zich overal doorheen, hoe overtuigd hij ook is van de nutteloosheid van de wetenschap ('Niets is belangrijk, maar het is nu eenmaal ons werk') en de zinloosheid van het leven. Want: 'Als fatsoenlijk mens kun je de zaken niet zwart genoeg zien.'

Soapverslaving

Objectief beschouwd gebeurt er niet veel in Het A.P. Beerta-Instituut. Maar dat staat het lezen niet in de weg. De tienduizenden fans van de eerste tweeduizend bladzijden van Het Bureau - die door niet-Voskuillezers al worden beschuldigd van soapverslaving en zelfs sektarisme - zullen zich verlustigen in de nieuwe variaties op bekende thema's: het geschipper van Maarten tussen plichtsbesef en minachting voor het vak; de ruzies die hij met zijn vrouw Nicolien heeft over zijn werklust en trouw aan het Bureau; de discussies met Bart 'Dat ben ik dan niet met je eens' Asjes; de koffieuurtjes, de kinnesinne en de kantoorintriges. Het zijn de virtuoos getimede herhalingen, de running gags zou je bijna zeggen, die Het A.P. Beerta-Instituut ondanks al het leed en getob tot een onweerstaanbaar grappig boek maken.

Dat neemt niet weg dat deel vier van Het Bureau ook indruk zal maken op lezers die de eerste drie delen niet kennen. Alleen al Voskuils kale, poespasloze zinsbouw (bij de uitreiking van de F. Bordewijkprijs 1997 door Ton Anbeek gekarakteriseerd als 'proza na de beeldenstorm') verandert iedere argeloze beginner in een bladzijdenvreter die nauwelijks kan stoppen voor hij bij bladzijde 977 is. Voskuil lees je behalve om de herkenbare personages, de droogkomische humor en de vele mooie one-liners ('Je zou zo moeten schrijven dat het gebouw van de wetenschap krakend instort') ook om de stilistische beheersing die hij tentoonspreidt. Of het nu een professorale toespraak is waarvan de zinnen elkaar als een onontwarbare kluwen opvolgen, of een indirecte monologue intérieur waarin Maarten speculeert over de redenen van zijn collega Ad om in vakanties niet langer op de poezen van de Konings te willen passen - het zijn passages met de kwaliteit van titanium: sterk, licht en sierlijk.

Ondanks zijn schijnbaar extreme voorliefde voor detaillering is Voskuil een meester in het weglaten. Dat moet ook wel. Wie, zoals de auteur van Het Bureau, dertig jaar (kantoor)leven wil beschrijven, ontkomt niet aan tijdverdichting, zelfs al heeft hij vijfduizend bladzijden tot zijn beschikking. Ook Het A.P. Beerta-Instituut maakt flinke sprongen door de tijd, zodat we soms binnen het bestek van één bladzij drie maanden verder zijn en zelf moeten invullen wat er in de tussenliggende periode gebeurd is. Een vergelijkbare zelfwerkzaamheid wordt van de lezer verwacht wanneer Voskuil van spannend opgebouwde scènes (een uit de hand lopend symposium, een dreigend fiasco op een congresuitje, een dronken sollicitatiegesprek) de aanloop of de conclusie niet beschrijft. Ernest Hemingway, de Amerikaanse kampioen van het 'less is more', noemde dat het 'ijsbergprincipe': je ziet vijftien procent, de rest ligt verborgen onder de waterspiegel.

Horken

'Ik word pas ontroerd als iemand zich buigt over de punten waarop hij faalt', zegt Maarten Koning tegen het einde van Het A.P. Beerta-Instituut. Misschien is de grootste verrassing van deel vier van Het Bureau wel dat het alter ego van J.J. Voskuil juist meer en meer zijn draai vindt. Wie Meneer Beerta, Vuile handen en Plankton las, kon het idee krijgen dat Maarten een personage zonder noemenswaardige karakterontwikkeling was, dat hij te eeuwigen dage ongelukkig en cynisch zou blijven in zijn werk. Maar in de loop van Het A.P. Beerta-Instituut zien we hem vrijer worden. Natuurlijk, het leven op kantoor, met zijn spijbelaars en zijn horken, blijft een bron van frustraties; Maarten voelt zich nog regelmatig bedreigd, ongemakkelijk en moedeloos. Maar ondertussen zien we hoe hij steeds meer initiatief ontplooit, steeds vaker thuis werkt (tot grote woede van Nicolien), en steeds meer eer van zijn wetenschappelijke arbeid krijgt. Een van de laatste scènes van Het A.P. Beerta-Instituut is zelfs een ontspannen afdelingsuitje in het Drentse veen waarbij Maarten met zijn personeel omgaat 'alsof het een beetje zijn kinderen waren'. Als je afgaat op de titels van de nog te verschijnen delen - En ook weemoedigheid, Afgang, De dood van Maarten Koning - zou je zeggen dat die tevredenheid niet lang kan duren.

Door de uitgever wordt Het Bureau aangekondigd als 'de omvangrijkste roman ter wereld'. Of dat zo is, is een definitiekwestie, want Zola en Balzac schreven nog volumineuzer romancycli, maar in het Nederlandse taalgebied zijn Voskuils ambities zonder weerga. Het Bureau is dan ook zeer veel tegelijk: een portret van een man die vuile handen maakt in een systeem waarmee hij eigenlijk niets te maken wil hebben; een antropologie van het kantoorleven die door de uitputtende beschrijving van (wan)verhoudingen op het werk universele trekjes krijgt; een kroniek van de Nederlandse samenleving in de naoorlogse jaren van economische groei en krimp; en niet te vergeten een sleutelroman over de historici, antropologen, taal- en heemkundigen en academische managers, die zich verzamelen op en rondom het Amsterdamse P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde.

In de jaren vijftig leefde onder schrijvers in de Verenigde Staten de obsessie om in één dikke roman het Amerikaanse leven zo volledig mogelijk te boekstaven. Van deze mythische Great American Novel, die zowel tijdsbeeld als zielenspiegel moest zijn, zou je Het Bureau de Hollandse pendant kunnen noemen. De Grote Nederlandse Roman van J.J. Voskuil geeft een veelomvattend beeld van de condition néerlandaise in de tweede helft van de twintigste eeuw. En geen Elckerlyc is Hollandser dan de plichtsgetrouwe, arrogante, sympathieke, werklustige, kleinzielige, tolerante wetenschappelijk ambtenaar Maarten Koning.

Uit: J.J. Voskuil, Het A.P. Beerta-Instituut - Het Bureau 4

'Het vak dat wij beoefenen is geen vak meer', zei Maarten (-). 'Toen ik hier begon, vond ik dat een van de aantrekkelijkheden van het Bureau. Je leeft in de schaduw, in het beste geval moeten de mensen een beetje om je lachen (-). Als je geen gevoel voor humor hebt houd je het hier niet vol. Maar we moeten ons wel handhaven natuurlijk. Het is allemaal wel leuk, maar het is ook bittere ernst', hij lachte een beetje in de ruimte, 'zoals het leven is dus.'