Hoe de gulden zichzelf is gebleven

M. 't Hart e.a. (red.): A financial history of the Netherlands. Cambridge University Press, 232 blz. ƒ 149,60

Een beursschandaal, voorbereidingen voor de euro, valutacrisis in Zuidoost-Azië, monsterfusies tussen banken en verzekeraars, spectaculaire overnames en faillissementen en een explosieve stijging en terugval van de internationale aandelenbeurzen. De financieel-economische wereld schudt de laatste maanden op haar grondvesten. De prominente plaats die de financiële economie inneemt op de krantenpagina's staat in schril contrast met de belangstelling ervoor binnen de geschiedwetenschap.

Onder invloed van de democratisering van de samenleving en de opkomst van sociologie en psychologie ontwikkelde de geschiedenis zich deze eeuw steeds sterker als 'menswetenschap'. Economische geschiedenis kon zich alleen nog maar in belangstelling verheugen als het adjectief 'sociaal' eraan werd toegevoegd. Gedeeltelijk vloeit het gebrek aan belangstelling ook voort uit het karakter van het werk van de financieel-economische historici. De laatste decennia produceerden zij steeds meer specialistische studies, ten koste van een brede en meer toegankelijke manier van geschiedschrijving.

De auteurs van A financial history of the Netherlands erkennen dit gebrek. In hun overzichtswerk behandelen zij de financiële geschiedenis van Nederland vanaf de zestiende eeuw als een geïntegreerd geheel, waarin geldwezen, bankwezen en overheidsfinanciën in zeer nauwe samenhang staan. Ook zijn de auteurs niet blind voor het onlosmakelijk verband tussen financieel-economische en politieke ontwikkelingen. Zo hing het ontstaan van de Nederlandse natie samen met een belastingkwestie. Het begin van de Opstand tegen Spanje werd gevoed door de onvrede over de heffing van de tiende penning, een zeventiende-eeuws soort BTW.

Op zijn beurt had de Tachtigjarige Oorlog fiscale gevolgen. In de eerste plaats beëindigde de afscheiding van Spanje de ontwikkeling van een gecentraliseerd belastingstelsel, die was ingezet onder Filips II. De grote mate van provinciale autonomie in de zelfstandige Republiek weerspiegelde zich in zeer uiteenlopende belastingtarieven in de verschillende gewesten. Het is daarbij een opmerkelijke paradox dat de explosieve stijging van de overheidsuitgaven - ter financiering van de oorlog - leidde tot een extreem hoge belastingdruk. Het aantal heffingen was zo groot, dat beloningen werden uitgeloofd voor wie nog een item wist te bedenken dat kon worden belast, schrijft Marjolein 't Hart in het eerste hoofdstuk over de periode 1550-1700.

De dekking van de gestegen overheidsuitgaven door een ingewikkeld stelsel van directe en indirecte belastingen; de handel in aandelen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie (feitelijk de eerste Nederlandse multinationals); de onvoorstelbare verscheidenheid in munten en - daaruit volgend - de essentiële rol van de geldwisselaars in de handel; de oprichting van de Amsterdamse Wisselbank en de Beurs. Door een gedegen beschrijving van deze thema's maakt Marjolein 't Hart de positie van Amsterdam als financieel wereldcentrum in de Gouden Eeuw aanschouwelijk en begrijpelijk.

'Als ons bloeitijdperk een naam moet hebben, laat het dan zijn naar hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantasie. Gouden eeuw zou beter passen bij de achttiende eeuw, toen het goud gemunt in de geldkisten lag', schreef Johan Huizinga. Dit traditionele beeld van de achttiende eeuw wordt hier enigszins gecorrigeerd. Opmerkelijk is dat de politieke en economische achteruitgang in deze periode zich niet manifesteerde in de financiële sector. Amsterdam bleef ook na 1700 een financieel wereldcentrum, dat zich bovendien steeds sterker ontwikkelde als verschaffer van kredieten aan buitenlandse vorsten en regeringen.

De centrale gebeurtenis in A financial history, zoals gebruikelijk in overzichtswerken over Nederlandse geschiedenis, vormt de overgang van Republiek naar Koninkrijk. Deze ommezwaai van een gedecentraliseerd naar een gecentraliseerd staatsbestel had verstrekkende gevolgen voor de financieel-economische inrichting van Nederland. Na 1795, en zeker na 1813 maakten de stedelijke en provinciale financiële instellingen plaats voor nationale organen. De Nederlandsche Bank (1816) nam de wind uit de zeilen van de stedelijke Wisselbanken, die sinds de zeventiende eeuw het financiële verkeer hadden gedomineerd. De Nederlandsche Handelsmaatschappij, opgericht in 1824 om de handel met Indië te stimuleren, nam in veel opzichten de rol over van de zes kamers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Het slaan van munten, dat voor 1795 in provinciale en stedelijke munthuizen plaatsvond, kwam onder verantwoordelijkheid van de nationale Munt in Utrecht.

Koopman-koning Willem I slaagde erin om een groot deel van de financieel-economische inrichting van 'zijn' koninkrijk buiten het zicht van het parlement te houden. De volksvertegenwoordiging had nauwelijks zicht op belangrijke financiële instellingen als het Armortisatie-syndicaat (1822), de Société Générale (1822) en de Nederlandsche Handelsmaatschappij. Pas in 1840 kwam daar verandering in. De overheidsschuld bleek veel groter dan verwacht, omdat miljoenenleningen van de Nederlandsche Handelsmaatschappij en het Amortisatiesyndicaat aan de staat buiten de boeken waren gehouden. Nadat het parlement weigerde de tienjaarlijkse begroting goed te keuren, trad Willem I af en bracht minister F.A. van Hall de overheidsfinanciën op orde.

In een aantal nieuwe studies is het traditionele beeld van de negentiende eeuw - als een periode van gebrek aan initiatief - bijgesteld. De zesdelige reeks Geschiedenis van de techniek in Nederland, die tussen 1992 en 1995 verscheen, toonde aan dat Nederland in de negentiende eeuw op technisch-industrieel gebied veel minder achterlijk was dan tot nu toe werd aangenomen. (*) Van een dergelijke rehabilitatie is in A financial history geen sprake. Tot ongeveer 1850 krijgt Nederland financieel-economisch vorm; het beeld dat de auteurs van de daarop volgende periode schetsen bevestigt het Jan Salie-imago. Pas omstreeks 1900, als de industrialisatie van Nederland grootscheeps van de grond komt, treden er weer veranderingen op in de financiële organisatie.

De gevolgen van het nieuwe elan manifesteren zich met name in de bancaire sector. Joost Jonker en Jan Luiten van Zanden leveren een interessante aanvulling op het bestaande beeld van de industriële revolutie in Nederland, die meestal wordt beschreven vanuit technisch of sociaal standpunt. Voor het graven van kanalen, het bouwen van stoomschepen en het aanleggen van spoorwegen is echter niet alleen een ontwikkelde techniek en een industriële arbeidersklasse nodig; even noodzakelijk is een moderne financiering.

A financial history is niet anekdotisch van opzet; in deze studie ontbreken de Nick Leesons, de Han Vermeulens en de huilende bankpresidenten uit de Nederlandse financiële geschiedenis. Door de keuze van de auteurs voor een zakelijke weergave van de financiële geschiedenis leest de studie bij tijd en wijle als een jaarverslag, compleet met grafieken en tabellen. Een aantal opmerkelijke omissies is vast te stellen. In een studie die politieke, economische en financiële geschiedsschrijving wil integreren, zouden namen als die van de Bank Nederlandse Gemeenten, de Waterschapsbank en de Sociale Verzekeringsbank niet mogen ontbreken. Het was aardig geweest in te gaan op de vraag welke gevolgen deze financiële instellingen, die een belangrijke rol spelen in de (semi)publieke sector, ondervinden van de verzelfstandigings- en privatiseringsgolf in Nederland sinds de jaren tachtig. Verder onbreekt in de paragraaf over de Tweede Wereldoorlog de naam van de roofbank Lippmann-Rosenthal en de gevoelige kwestie van de joodse tegoeden.

Hoewel het boek nog geen half jaar op de markt is, is de opmerking over de moeizame totstandkoming van een geïntegreerd betalingssysteem tussen banken en postgiro nu al achterhaald. De auteurs voorspellen dat het wel even zal duren voordat deze samenwerking tot stand komt. De kwestie werd echter afgelopen zomer opgelost met de instelling van het Nationaal Betalingscircuit (NBC), waardoor bank- en girorekeninghouders zonder vertragingen geld naar elkaars rekeningen kunnen overmaken.

Daar staat tegenover dat de auteurs van A financial history erin zijn geslaagd een overzichtelijk en redelijk compleet overzichtswerk te schrijven, waarin de laatste inzichten over de financieel-economische geschiedenis van Nederland zijn opgenomen. Deze welkome update zou wel eens een rol kunnen gaan spelen in de discussie over de invoering van de euro. Uit een optreden voor de VPRO-radio eerder dit jaar bleek dat de auteurs sceptisch staan tegenover de komst van de Europese gemeenschappelijke munt. A financial history of the Netherlands toont aan dat de gulden al eeuwenlang een harde munt is, en dat het Nederlandse financieel-economische en monetaire beleid zich vrijwel altijd heeft kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. Weinig reden dus voor een ingrijpende verandering, menen de historici. Hiermee verschaft de studie de tegenstanders van de euro een sterke historisch-wetenschappelijke onderbouwing van hun argumenten. *Harry Lintsen e.a. (red.): Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890 (Walburg Pers).