Het hijgend hert

De mooiste verrassing kwam vroeg dit jaar: halverwege januari was ik zo gelukkig een oogverblindend mooi boekje in handen te houden, het eerste hoofdstuk van Gerard Reve's nieuwe roman Het hijgend hert, die in het voorjaar zal verschijnen. Vormgeefster Brigitte Slangen maakte van dit nieuwjaarsgeschenk voor de uitgeverijen L.J. Veen, Contact en Atlas een kostbaar kleinood. Auteursnaam en titel staan in een helrood kader. Op een witte ondergrond als van sneeuw springen, gevat in zilver, zesentwintig herten van links naar rechts.

Het gewei fier geheven. De acht pagina's zijn niet gebonden of genaaid, ze laten zich als een harmonica uitvouwen. Aan de keerzijde staat het geschrevene in handschrift.

Toch. Eén teleurstelling: de 1200 exemplaren zijn weliswaar gesigneerd door de meester, maar niet met de kroontjespen! Op de bloedrode titelpagina prijkt de handtekening in zwarte balpen. Reve heeft hard gedrukt, want aan de keerzijde van de bladzijde is de signatuur in reliëf voelbaar. Ik miste dat kleine sterrenstelsel van inktspatjes dat de handtekening op de achterzijde van de brievenboeken als Nader tot U en Op weg naar het einde siert.

Vanaf bladzijde drie tot acht ontvouwt Reve in kort bestek het leven van Raphaël ('Zeg maar Ralfje') Wessel. Deze eenendertigjarige jongeman, zonder kinderen want 'alles was altijd anders' in zijn wereld, is landmeter van beroep, en daarnaast een niet onverdienstelijk kunstschilder. Een 'landmeter' is een zeldzaam beroep in de Nederlandse letteren. Ik ken het alleen uit de roman Das Schloss van Franz Kafka. Ralfje Wessel is evenzeer God als de schilderkunst toegedaan.

Niets nieuws onder de zon, zouden we kunnen zeggen. Reve is in een enkele volzin weer goed op dreef om 'het zorgeloze kunstenaarsvolkje' een roetstreep over de wang te geven: “Veel van de kunstenaars die hij slechts bij naam kende, koesterden een felle wrok tegen het gezag en wat zij het Bestel noemden, en meenden dat zij wegens hun staatkundige ideeën telefonisch afgeluisterd werden, en zulks terwijl zij van datzelfde 'Bestel' een fortuin aan geld binnen haalden, alles uit de knip van de belastingbetaler, die dan ook terecht niets met kunst te maken wilde hebben.”

Reve wijdlopig? Ik heb er niks van gemerkt. In zes compacte, strak geschreven bladzijden vertelt Reve over Ralfje. Wie het hijgend hert uit de titel is, daarnaar kunnen we raden. Ik gis dat het Wessels oom is, eveneens de schilderkunst en de herenliefde toegedaan. Ralfje is op zijn aanraden landmeter geworden, want wie weet kwamen ze elkaar dan eens op de eenzame hei tegen, Ralfje het land metende, zijn oom schilderend. Maar de oom is aan het begin van het verhaal al dood.

Ik probeer de ontwikkeling van de roman voor me te zien: in hoofdstuk twee gaat Reve terug in de tijd en wekt hij de oom tot leven. Het derde hoofdstuk gaat over Ralfje, en zo om en om. Totdat die twee elkaar, omdat alles altijd anders is, ergens in een schuurtje aan de rand van een verregend voetbalveld tegenkomen. We moeten wachten tot het voorjaar om Raphaël te kunnen volgen in zijn ongetwijfeld wondere wegen.