Heidegger achter de horizon

A. Heumakers en Th. C. W. Oudemans: De horizon van Buitenveldert. Gesprekken over cultuur en techniek. Boom, 191 blz. ƒ 39,50

J: We kijken uit het raam en zien een ordelijk gebouwde buitenwijk. F: We zitten zo hoog dat onze blik tot aan de horizon reikt. J: Zelfs de horizon zit vol met flatgebouwen. F: De horizon is afgedekt door de gestolde techniek. J: De gestolde techniek dient hier om erin te wonen. Het is zondag. Iedereen is thuis, de schoorstenen roken. F: Wanneer iedereen thuis is, is het de vraag waarom wij daarbij nadenken. Zo begint het eerste van vijf gesprekken tussen de journalist Arnold Heumakers ('J') en de filosoof Wouter Oudemans ('F'), waarvan zij de schriftelijke weergave onder de titel De horizon van Buitenveldert hebben uitgegeven. Het werk van een aantal cultuurcritici en één schrijver dient als aanleiding voor hun gedachtegang over cultuur en techniek. Het boek roept ten minste drie vragen op. Wat beogen de schrijvers? Klopt het wat zij zeggen? Is het boek afgezien daarvan inspirerend?

Wat de schrijvers beogen met deze gesprekken is niet te vatten zonder kennis van de filosofie van Martin Heidegger. De gesprekspartners zijn 'von Kopf bis Fuss' in de greep van het werk van deze Duitse denker. De letters 'F' en 'J' zijn dezelfde waarmee Heidegger respectievelijk zichzelf en zijn Japanse gesprekspartner aanduidde in zijn boek Unterwegs zur Sprache.

Volgens Heidegger heeft in de twintigste eeuw de techniek gezegevierd. Het is een illusie te menen dat de mens nog enige invloed op de ontwikkeling van de techniek zou kunnen uitoefenen. We eten genetisch gemanipuleerd fruit, vlees van genetisch gemanipuleerde varkens. Dat niet te willen is een onvervulbare wens, zodat ze nauwelijks meer wordt geuit.

De dingen spreken niet meer tot ons, volgens Heidegger. Neem water; we draaien de kraan open en er stroomt water in overvloed. Vergelijk dat eens met het water in de kruik op het hoofd van een moeder die een paar uur heeft moeten lopen naar de bron in een oase in de Sahel. Hetzelfde water, maar met een andere betekenis dan ons leidingwater.

Hoe komt het dat de moderne mens niet meer hoort wat de dingen ons te vertellen hebben? Dat komt omdat hij meent dat hij in een wereld leeft waarin dingen voorkomen die hij kan beetpakken, onderzoeken en dankzij de techniek kan beheersen. Kraanwater spreekt niet meer tot ons, want de horizon waartegen dat water betekenis verkrijgt, is verdwenen. Zoals Oudemans zegt: 'De horizon is afgedekt door de gestolde techniek.'

Het aardige is dat het woord 'horizon' laat zien dat er dingen zijn in de werkelijkheid die zich niet láten beetpakken en onderzoeken, zelfs niet met de techniek. De horizon is het eindpunt van een blikveld. Het is dus iets dat afhankelijk is van het standpunt dat een waarnemer inneemt. Welk standpunt we innemen is bepaald door ons verleden en door onze toekomst. Maar beide onttrekken zich aan onze waarneming. Dus hoe we de werkelijkheid zien, onze huidige horizon, wordt bepaald door wat er niet meer is, het verleden, en door wat er nog niet is, de toekomst.

De Arbeider

De cultuurcritici in De horizon van Buitenveldert zijn uitgekozen omdat zij iets hebben gezien dat er nog niet is. De meeste aandacht besteden Oudemans en Heumakers aan het boek Der Arbeiter van Ernst Jünger uit 1932, waarover Heidegger college heeft gegeven. Volgens Jünger staat het beeld van de Arbeider op het punt de macht in ons denken over te nemen van dat van de Burger. De techniek eist een eenvormige mens voor wie de zin van het leven bestaat uit het vervullen van taken, hem opgelegd door het arbeidsplan. Voor het slagen daarvan is hij bereid offers te brengen, zoals een soldaat zijn leven voor de overwinning van zijn vaderland in de waagschaal stelt. Buiten het arbeidsproces heeft het individu geen horizon meer, waartegen zijn leven betekenis verkrijgt. Ook de politiek is onverschillig geworden voor het individu. Dit heeft tot gevolg dat een representatieve democratie waarin elke burger vrij kan stemmen beschouwd moet worden als een achterhaald ideaal uit de Verlichting.

Wat Oudemans en Heumakers nu met hun gesprekken beogen, is te laten zien dat onze cultuur door de almacht van de techniek verandert in een onpersoonlijke samenleving van 'arbeiders'.

Klopt het wat zij zeggen? Is Jüngers arbeidersstaat onontkoombaar? Er zijn goede redenen om te zeggen: liever niet! Jüngers arbeidersstaat is alleen onontkoombaar als zijn beschrijving van de ontwikkeling van de menselijke beschaving correct is. Klopt Jüngers beschrijving niet, dan hoeven we ons ook geen zorgen te maken over een toekomstige arbeidersstaat.

Men zou verwachten dat Oudemans en Heumakers Jüngers werk kritisch bespreken. Een dergelijke houding ten opzichte van de auteurs die zij bespreken is Oudemans en Heumakers echter vreemd. Zij denken méé met Jünger en Heidegger en dat houdt voor hen in: hun blikveld delen, dezelfde horizon aanschouwen. Heumakers zegt bijvoorbeeld dat romans van fascisten, een 'categorie die in onze samenleving aan een permanente vervolging blootstaat' het hem mogelijk hebben gemaakt zo'n fascist van binnenuit te leren kennen. Het lezen ervan is 'het ontdekken van het potentiële nationaal-socialisme in ons allen'. Zodoende verdwijnt voor hem de behoefte aan de blinde vervolging van fascisten mee te doen, 'los van het feit dat er voor die vervolging misschien gerede gronden bestaan'.

Dat is niet overtuigend. Ten eerste is het je inleven in een fascist nog wat anders dan daadwerkelijk fascist te zijn. Ten tweede is het juist van belang als iedereen een potentiële nationaal-socialist is, het nationaal-socialisme des te kritischer te beschouwen.

Ten grondslag aan de houding van de auteurs ligt een opvatting over waarheid. Oudemans en Heumakers geloven dat de auteurs die zij bespreken iets gezien hebben dat wij nog niet weten. Voor hen zijn uitspraken dus waar voor zover ze een tipje van de sluier oplichten. Waarheid is onverborgenheid.

Deze houding druist in tegen een andere opvatting, volgens welke een bescheiden Verlichtingsideaal nog steeds de moeite van het nastreven waard is. Dat ideaal is dat je nooit een bewering doet zonder voor de inhoud van die bewering een bewijs te hebben; dat je jezelf nooit zult tegenspreken, en dat je de plicht hebt zelfstandig na te denken. Deze houding berust op een onafhankelijk waarheidsbegrip, dat een vooronderstelling is van iedere kritische analyse.

Cultuurkritiek

Oudemans en Heumakers merken op dat de cultuurkritiek zich in een paradoxale situatie bevindt. Enerzijds plaatst de cultuurcriticus zich buiten de cultuur waar hij kritiek op uitoefent. Anderzijds maakt hij onvermijdelijk deel uit van die cultuur en reikt zijn blik slechts zover als het begrippenapparaat van zijn cultuur. Enerzijds is de cultuurcriticus horizonloos, anderzijds zit hij altijd gevangen binnen de horizon van zijn cultuur. De consequentie is dat cultuurkritiek, een vorm van zelfinterpretatie, onmogelijk is omdat een onafhankelijk waarheidsbegrip niet bestaat. Maar niet alleen cultuurkritiek, ook kritiek op de denker wiens filosofie je aanhangt is met een begrip van waarheid als onverborgenheid onmogelijk.

Voor een aanhanger van het bescheiden Verlichtingsideaal zijn deze consequenties onaanvaardbaar. Hij verwerpt daarom het begrip van waarheid als onverborgenheid, ten faveure van een onafhankelijk waarheidsbegrip. Hij verdedigt de mogelijkheid van kritische analyse van cultuur en filosofie.

Ook voor een journalist zouden deze consequenties onaanvaardbaar moeten zijn. Hij moet van een onafhankelijk waarheidsbegrip uitgaan. Als Woodward en Bernstein ten aanzien van Nixons uitspraken dat niet zouden hebben gedaan, zou er geen Watergate-schandaal zijn geweest. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de journalist Heumakers in deze gesprekken zoekende is. Hij onderzoekt nog de mogelijkheid van cultuurkritiek, terwijl Oudemans bij herhaling de paradoxale situatie waarin die zich bevindt benadrukt.

Desondanks bevatten ook deze gesprekken kritische uitspraken over onze samenleving. Dit brengt hun onduidelijke status aan het licht. Moeten ze gelezen worden als cultuurkritiek of als een inwijding in een esoterische manier van denken over mens en maatschappij? Is het waar wat Oudemans en Heumakers zeggen, of is dit boek een verslag van een speurtocht naar verborgen waarheden?

Die vragen worden in dit boek niet beantwoord. Zodoende zwalken niet alleen cultuurcritici, maar ook Oudemans en Heumakers heen en weer tussen twee verschillende waarheidsbegrippen. Het is duidelijk voor welk dilemma ze staan. Of ze houden vast aan het begrip van waarheid als onverborgenheid en concluderen dat cultuurkritiek onmogelijk is; of ze verdedigen de mogelijkheid van cultuurkritiek, maar dan moeten ze een onafhankelijk waarheidsbegrip koesteren. Oudemans en Heumakers zijn dus niet in hun opzet geslaagd te laten zien dat onze cultuur door de almacht van de techniek vervalt in een onpersoonlijke arbeiderssamenleving, omdat ze niet voor één waarheidsbegrip hebben gekozen.

Is het boek toch inspirerend? Het antwoord op deze vraag is bevestigend. De aanhanger van het bescheiden Verlichtingsideaal die gelooft in de rede ergert zich mateloos bij lezing van dit boek. Aangezien hij in de rede gelooft, wordt hij door deze gesprekken uitgedaagd zijn ergernis met rationele redeneringen te rechtvaardigen. Aanhangers van Heidegger begrijpen niet waarom een filosoof meent met een journalist een zinvolle gedachteuitwisseling te kunnen hebben. Zij verwerpen een dergelijke vrijblijvende omgang met Heideggers filosofie. Aan hen de taak te laten zien waar de filosoof zich compromitteert.