Hameren op het venijn van de dood; Gesprek met Louis Andriessen, gefilmd componist

'Tao, de Weg', heet de documentaire van Frank Scheffer, volgende week in première op het Filmfestival. Hij volgde Louis Andriessen tijdens het componeren van het tweede deel van zijn 'Trilogie van de Laatste Dag', gemaakt met teksten over de dood van de Chinese wijsgeer Lao Tse. “Brückner, Mahler, noem maar op. Ik vind het allemaal narigheid, sentimenteel. Wagner - ook niets.”

'Tao, De Weg' van Frank Scheffers gaat in première op het Internationale Filmfestival Rotterdam op 1 februari Aanvang 13.45 u.

'Hoketus': 28/1 Concertgebouw Amsterdam door Asko Ensemble.

'Trilogie van de Laatste Dag': 31/1 Concertgebouw door het Asko Ensemble, Schönberg Ensemble, Ned. Kamerkoor en Purmerends Kinderkoor de Kikkers olv Reinbert de Leeuw.

'De Tijd': 15/2 De Doelen Rotterdam door Rotterdams Conservatorium Orkest.

Een spin heeft 's nachts haar web geweven op een fiets, van het slot naar het frame en weer terug. Als je de fiets losmaakt gaat het web kapot en de spin tuimelt naar beneden. Maar ze zit nog net vast aan haar laatstgeweven draadje. Zacht verend, als opgehangen aan de lucht.

Tomoko's handen zijn als spinnen. Ze hangen doodstil boven het klavier en slaan dan plotseling toe. Hard en navrant, van hoog naar laag hamerend over de toetsen.

Louis Andriessen heeft Tomoko gekozen om haar attaquerende stijl. Speciaal voor haar schreef hij de solo in het stuk Tao (De Weg), het tweede deel van zijn Trilogie van de Laatste Dag. Tao opent zonder Tomoko. Koebellen, aangestreken met een strijkstok, maken glazige tonen die in de lucht blijven hangen. Het is geluid en stilte tegelijk.

Tao is geïnspireerd op teksten van de Chinese wijsgeer Lao Tse, uit zijn boek Tao Te Ching. Het leidende motief van het boek en van Andriessens trilogie is de dood. In het eerste deel, De Laatste Dag, komt hij onder meer aan de orde in de woorden van Lucebert, in zijn gedicht Het Laatste Avondmaal. In deel twee figureert de dood in de filosofische overpeinzingen van Lao Tse. Deel drie, dancing on the bones, gaat over wat dood-zijn praktisch betekent. 'Functieverlies', bijvoorbeeld en 'rigor mortis'.

Over het componeren van deel twee, waar Andriessen in mei 1995 aan begon, maakte Frank Scheffer de film Tao, De Weg, die volgende week in première gaat op het Internationale Filmfestival Rotterdam. Voor Frank Scheffer, die eerder documentaires maakte over hedendaagse componisten als Karlheinz Stockhausen, Pierre Boulez, John Cage, en over overleden componisten zoals Strawinsky, was het voor het eerst dat hij een ontstaansgeschiedenis kon vastleggen. Scheffer was er bij toen Andriessen beslissingen nam over een bes of een b, en over de juiste manier om de koto aan te slaan.

Zijn camera cirkelde rond Andriessen en zijn muze Tomoko, samen of apart. Scheffer volgde ze van Amsterdam naar New York, naar Beijing en Japan - in zwart-wit beelden, in slow-motion, wervelend of juist schokkerig. Andriessen praat helder over het schrijven van Tao en over zijn werk in het algemeen. Zijn vrouw Jeanette vertelt over haar ontdekking van de Tao Te Ching, in de jaren zestig; Tomoko vertelt over de manier van zingen die Andriessen van haar verlangde.

Maar de magie van het scheppen zit hem niet in het noteren van een bes of een b. De film volgde Andriessen en de beelden die wij nu zien zijn dus gedeeltelijk ook de indrukken van Andriessen zelf. Als toeschouwers kunnen we denken dat we in de film de bron zien van de noten die hij later zou schrijven. Het is een verleidelijke gedachte - dat ergens in die bonte verzameling indrukken de aanzet te ontdekken zou zijn die Andriessen deed componeren wat hij componeerde.

Het is ook een ijdele gedachte, maar hij wordt gedeeltelijk gevoed door de opbouw van de film: tegen het einde zien we gedeeltes van de uitvoering van het dan voltooide muziekstuk. En hoewel Andriessen zich nergens chinoiserieën permitteert, lijkt de muziek soms een letterlijke weerslag van de ervaringen die de filmbeelden lieten zien. De uitbarsting van doodsklokken bijvoorbeeld zou dan samenhangen met de rituele klokken in de Verboden Stad. En de dertien akkoorden waartoe Andriessen zich bij het componeren beperkte zijn de dertien 'dienaren des doods' uit de tekst van Lao Tse, over wie de sinoloog Burchard Mansvelt Beck in de film vertelt.

Andriessen zelf zou het met zo'n uitleg niet eens zijn. “Je leeft met een heleboel dingen, ervaringen, gedachten. Die zíjn er wel maar ze zitten nooit zo direct in de noten. Daar geloof ik niet in,” zegt hij, op een avond thuis in Amsterdam.

Vermeer

Het is inmiddels tweeëneenhalf jaar na het begin van het filmen/componeren van Tao en Andriessen is weer met andere dingen bezig. De Tao Te Ching en de boeken over het Taoïsme die in de film op zijn werktafel lagen zijn nu vervangen door boeken over Vermeer. Na de opera Rosa (1995) is hij met de Engelse regisseur Peter Greenaway bezig aan hun tweede opera, met de werktitel Writing To Vermeer.

Louis Andriessen (Utrecht, 1939) is een man van 'de handen uit de mouwen steken'. Ook letterlijk. Nadat hij enkele jaren geleden stopte met roken heeft hij een aantal gebaren aangenomen die het sjekkie-draaien vervangen; met grote regelmaat slaan zijn knieën over elkaar en stroopt hij zijn mouwen op. Andriessen spreekt in volzinnen, beslist en gretig, over wat hij nog allemaal wil lezen en maken. En begrijpen.

“Want ik hoor nog steeds niet waarom die grote Duitse componisten uit de negentiende eeuw nou zo goed zijn. Brückner, Mahler, noem maar op. Ik vind het allemaal narigheid, sentimenteel. Wagner - ook niets. Maar er is natuurlijk een steekje aan me los, want zij zijn wel heel erg onderdeel van wat wij als bagage op onze rug dragen. Dus moet ik beter mijn best doen. Ik heb niet zo heel lang meer te leven, en ik wil nog wel een paar dingen verwerven. Daarom lees ik nu boeken over romantische ironie in de negentiende eeuw. Om inzicht te krijgen in wat zich toen afspeelde, om te weten hoe die jongens dachten. En om uiteindelijk van ze te gaan houden, want daar gaat het natuurlijk om.

“Waarschijnlijk doe ik dit allemaal om mezelf beter te begrijpen. Want de laatste tijd schrijf ik anders, 'romantischer' dan vroeger. Ik schrijf dingen die ik vijf jaar geleden niet voor mogelijk had gehouden.” Zijn strengheid en distantie dan minder belangrijk geworden? “Ja, want het inzicht dáarin beheers ik wel. De andere kant, de intuïtieve, emotionele kant mag nu wat losser worden. Ik merk het ook aan het werken met Greenaway. De reden om bij die man in de buurt te blijven is dat hij over de schreef gaat. Hij doet dingen waarvan ik denk 'nou nou nou'. Dus daar moet ik bij zijn.”

De periode van beïnvloeding door de Amerikaanse avant-garde is wat Andriessen betreft voorbij, de fascinatie voor de Amerikaanse cultuur opgesoupeerd. Twee jaar geleden kreeg hij het aanbod om docent te worden op Columbia University in New York, maar Andriessen wil 'terug naar Europa' en terug de geschiedenis in. Toch is de invloed van de klassieke Japanse muziek, die via componist John Cage de Amerikaanse avant-garde had bereikt, nog niet ten einde.

Door de Japanse muziek ontdekte Louis Andriessen in de jaren zeventig het 'niet-ontwikkelingsdenken': muziek met een verhaal, maar zonder ontknoping; kunst als 'tableau vivant'. “Wij hebben het in de muziek leren kennen via Cage, en in het toneel door Bob Wilson. Hij had die eindeloze verhalen afgekeken van het Nôh-theater. Er is iets en dat gaat door en dan houdt het op een gegeven moment weer op. Je werkt niet ergens naar toe, maar laat het statisch zijn. Mijn compositie De Tijd heeft die statische kwaliteit, en daardoor een duidelijke verwantschap met Japanse muziek. Ik vind het zelf mijn beste stuk.”

Tao, de compositie zowel als de film, is de verbeelding van zijn artistieke oriëntatie op het Oosten. Japan wordt in beide vertegenwoordigd door pianiste Tomoko Mukaiyama. Zij stond model voor de compositie: sereen met een onderliggende passie. “Alles wat draait om het heilige image van Tomoko vind ik schitterend. Zij is het onderwerp van het stuk, zonder haar had ik het niet gemaakt. In de film was ik zelf liever buiten beeld gebleven. Haar voorkomen past er veel beter bij dan dat hoofd van mij dat die teksten uitlegt.”

Hoewel ze jaren in Amerika heeft gewoond en nu al weer een tijd in Amsterdam verblijft, is Tomoko Andriessens perfecte tegenpool. Tegenover zijn spraakwaterval voldoet zij aan het ondoorgrondelijke beeld dat we van Japanners hebben, en op andere momenten drukt zij juist de emotionaliteit uit waar hij alleen over praat. In de eerste plaats in het pijnlijke pianospel, met die klauwende vingers, maar ook in haar stem. Ze koos een Japans gedicht om aan het eind van de compositie voor te dragen, over een man die eindeloos zijn mes zit te wetten. Het eerste deel spreekt Tomoko droogjes uit, maar later volgt haar zangstem de akkoorden van haar koto met de intonatie die Andriessen van haar vroeg: liefdevol, alsof ze zich richt tot haar dochtertje dat in bed ligt. In de film reist Tomoko naar Japan om een koto op te halen die Andriessen wil gebruiken aan het eind van de compositie. Daar zien we haar ronddwalen op een kerkhof, een wat opzichtige verwijzing naar het thema van de muziek. Maar het is een ontroerend kerkhof, waar de boeddha-beelden rode schortjes dragen om warm te blijven. Tomoko begiet de grafstenen met water.

Andriessen heeft een ambivalente houding tegenover verheven zaken als het Taoïsme en het Boeddhisme. “Mijn moeder kwam uit Bandoeng en zij had wel een exotische kant, maar niet dweperig. Onze tante Liesje wel, zij was antroposofisch en daar moest mijn vader niets van hebben. 'Met dichte ogen naar de hemel kijken', noemde hij dat.” In de film lijkt Louis Andriessen dan ook erg tevreden met de relativerende manier waarop sinoloog Mansvelt Beck de teksten van Lao Tse interpreteert.

“De Tao Te Ching geeft een prachtige methode voor het eeuwige leven, die ons eigenlijk vertelt dat we niet zo aan het leven moeten hangen,” zegt Beck. “Lao Tse schreef: onze grote fout is dat we teveel waarde hechten aan het leven. Daarom gaan we dood.” De tekst die in Andriessens Tao wordt gezongen door vier vrouwen begint met de woorden 'Uitgaan is leven, ingaan is dood'. Daarmee doelt Lao Tse op het hanteren van seksuele energie, volgens Beck. “Als je de seksuele energie binnenhoudt slaat het op de borst, en ga je er dood aan. Maar wie de seksuele energie uit, 'naar buiten laat gaan' blijft leven.”

'Dertien zijn de dienaren des levens. Dertien zijn de dienaren des doods', vervolgt de tekst. “Dertien is vier plus negen, oftewel het aantal ledematen plus het aantal lichaamsopeningen”, verklaart Beck. “En die lichaamsopeningen zijn onze zwakke plek, want daardoor kan de dood naar binnen kruipen.”

Voor dancing on the bones, het derde deel van zijn Trilogie van de Laatste Dag, maakte Andriessen met behulp van de encyclopedie zelf een tekst over wat er fysiek gebeurt als je dood bent. De tweede alinea luidt: 'Als het hart stilstaat/ verdwijnt de polsslag. Je krijgt een grauwe, gele kleur/ je benen en je tenen worden koud/ je neus wordt smal, je kaakje slap.' Zijn tekst is komisch en afstandelijk, en dat is, zo zegt hij, de enige manier om een thema als de dood aan te pakken. “De lichtheid aan vooral het begin van dat muziekstuk is een manier om te voorkomen dat het een platvloerse, simpele verbeelding zou worden van zo'n ernstig onderwerp. Die chinese teksten hebben dat ook: een zekere nonchalance, ze zijn niet zonder ironie. Maar toch wil ik de venijnige onverwachtheid van de dood ook zien te pakken.”

Is het onderwerp met het omvangrijke project van de Trilogie van de Laatste Dag definitief afgehandeld? “Dat kan ik nu nog niet helemaal beoordelen. Al vermoed ik van wel. Toch ging het mij niet eens zozeer om 'dood' zelf als om de manier waarop bepaalde kunstenaars ermee omgingen; Lucebert, Lao Tse. Ik wilde die teksten eens gebruiken. Maar natuurlijk is er een tijd van komen en van gaan, ik had dit niet geschreven toen ik twintig was. En wee de componist die zoiets maakt omdat zijn vrouw is overleden, of zijn zusje... Dat is mij veel te sentimenteel. Ik denk dat ik er nog een vierde deel achter aan ga maken, dat net zo lang is als de eerste drie bij elkaar. Het moet een spektakel worden rond de reis van Brandaan, het narrenschip, meisje loos en Odysseus. En dat zal dan weer over het leven gaan.”

Aan het eind van de avond laat Andriessen een opname horen van het muziekstuk. We gaan naar de huiskamer en hij wijst de beste positie ten opzichte van de luidsprekers. Aan het begin van de opname horen we de ijle klank van aangestreken koebellen. Dat mochten per se geen violen zijn, weet ik uit de film. Daarover zei hij daar: “Zo'n viool is zo saai, dat hebben we al driehonderd jaar gehoord.” Halverwege vallen Tomoko's handen op het klavier alsof ze een prooi bespringen. Hamerend gaan ze over de toetsen. Hoe ze uiteindelijk die koto zijn gaan bespelen, vraag ik me ineens af, met lepels of met hamertjes? “Je mag niet door de muziek heen praten hier”, zegt Louis Andriessen. “Je moet nu even alleen maar luisteren.”