Geleerde praatjes zijn niets voor mij

Benoîte Groult: Mijn ontsnapping. Vertaald uit het Frans door Nini Wielink, Arena, 295 blz. ƒ 44,90

“Of ik nog steeds feministe ben? U doet net alsof ik de een of andere vreselijke ziekte heb waar ik maar niet vanaf kom!” Dat antwoordde Benoîte Groult onlangs op een vraag uit het publiek. De 77-jarige Franse romanschrijfster bracht een bezoek aan Amsterdam voor de promotie van haar autobiografie Mijn ontsnapping, die in het voorjaar van 1997 onder de titel Une histoire d'évasion in het Frans was verschenen.

Strijdbaar, fel maar met een ontegenzeggelijke charme vertelde Groult dat geen enkele Franse vrouw het meer in haar hoofd haalt zichzelf feministe te noemen, uitgezonderd enkele laatsten der mohikanen als zijzelf. De term is achterhaald, uit de mode. Er is zelfs geen feministisch tijdschrift meer voor mensen die in emancipatie geïnteresseerd zijn, zoals Opzij in Nederland. 'Voor een vrouw is het antifeministe-zijn een goed visitekaartje, waarmee succes eerder door de vingers wordt gezien', schrijft Groult in de inleiding van haar boek. 'Afgeven op feministes valt nog steeds in goede aarde, zowel in hogere kringen als in de media.'

Mijn ontsnapping verschijnt ruim twintig jaar na boeken als Het leven zoals het is en Ainsi soit-elle, waarin de schrijfster, in het voetspoor van Simone de Beauvoir, haar visie gaf op de 'condition féminine' in West-Europa. Na 1968 voelden velen zich betrokken bij de problemen die het feminisme aan de orde stelde en ook de media schonken veel aandacht aan kwesties als ongelijke behandeling van vrouwen, besnijdenis bij meisjes en abortus. Veel vrouwen van nu koesteren, geheel ten onrechte meent de schrijfster, de illusie dat alle problemen zijn opgelost, terwijl het tegendeel waar is: 'Tegenwoordig moet je al vechten om je verworvenheden te behouden', aldus Groult.

Groults meest recente boek is deels een chronologisch verslag van haar leven, van kleuter tot grootmoeder, deels een feministisch essay over onderwerpen van uiteenlopende aard en deels dialoog. In de gesprekken geeft zij antwoord op de vaak kritische vragen van Josiane Savigneau, chef literatuur en hoofdredactrice van de culturele bijlage van dagblad Le Monde en biografe van onder meer Marguerite Yourcenar en Carson McCullers. De orginele vorm die Groult koos voor haar levensverhaal maakt het boek afwisselend en levendig.

In het autobiografische deel schetst Groult het modelmeisje dat zij was en dat zij in feite zou blijven tot haar veertigste. Volgzaam, gehoorzaam en netjes, zoals een meisje van goede komaf betaamde, voldeed zij aan alle criteria van een fille rangée, net als Simone de Beauvoir. Studeren was toegestaan zolang er zich nog geen geschikte huwelijkskandidaat had aangediend. Paradoxaal genoeg groeide Groult juist op in een voor die tijd vooruitstrevende gezinssituatie. Haar energieke moeder, die het huwelijk niet ervoer als een belemmering tot zelfontplooiing, leidde een bekend door haarzelf opgericht modehuis, schilderde, tekende en ontving kunstenaars - en haar minnaars - bij haar thuis. Haar vader ontwierp meubels, kookte en hield van het buitenleven. Tot grote teleurstelling van haar moeder bleef Groult 'een negentiende-eeuws meisje'. 'Benoîte heeft geen grote talenten en verkeert in een lethargie die zij voor wijsheid aanziet', zou ze later in haar moeders dagboek lezen. 'Haar kracht, als ze die al heeft, schuilt in haar schede.' Pas na twee huwelijken, drie dochters en aan de zijde van een derde echtgenoot begon Benoîte Groult, via het schrijven, aan haar eigen vorm van 'ontsnapping'.

Samen met haar zuster Flora schreef ze, in de jaren zestig, Anne en Isabelle en Dagboek voor vier handen, een samenvoeging van de dagboeken die zij als jonge meisjes tijdens de oorlog bijhielden. Daarnaast publiceerde Groult artikelen die vanaf het begin feministisch van toon waren. Ondanks het enorme succes van Een eigen gezicht en Zout op mijn huid - of misschien juist daarom - werd Groult nooit toegelaten tot de kleine groep 'officiële' feministes. 'Ik behoorde niet tot het universitaire getto dat de enige voorwaarde is voor bekendheid en aandacht van collega's', schrijft Groult enigszins verongelijkt, 'Vrouwen als Hélène Cixous (hoogleraar in de letteren), Luce Irigaray (filosofe), Julia Kristeva (semiotica en psychoanalytica), enzovoort kregen dat wel. Al die vrouwen hadden ronkende titels, een teken van kwaliteit. Ik durfde hun taal niet te gebruiken, die te vaak ontoegankelijk is. Waarschijnlijk bleef ik onbewust iets houden van Henriette uit Les femmes savantes (van Molière): 'Geleerde praatjes zijn niets voor mij.'

Het interessantste deel van het boek, zeker voor wat jongere vrouwen, is de discussie tussen Josiane Savigneau en Benoîte Groult. Tussen de regels door krijgen we een aardig beeld van de strijd die de 50-jarige hoofdredactrice levert met een mannelijke redactie die van mening is dat een artikel over 'geslagen mannen' interessant is, maar een stuk over 'geslagen vrouwen' afgezaagd. Opvallend genoeg is Groult optimistischer over de toekomst van vrouwen dan haar jongere gespreksgenote, die voortdurend agressief wordt bejegend door ambitieuze mannelijke collega's. 'Bij een meningsverschil is het eerste reflex van de man om de vrouw te vernederen', aldus Savigneau, 'Mannen worden gecommandeerd, maar op een andere manier.' Groult daarentegen luistert met vrolijke verbazing naar de maatschappelijke ambities van haar zelfverzekerde tiener-kleindochters en memoreert dat Franse vrouwen pas in 1945 staatsburger werden en stemrecht kregen: 'Toen was ik al vijfentwintig!'.