'Geen concreet bewijs over invloed'

Oud-Kamervoorzitter en lid van de Raad van State D. Dolman heeft op verzoek van minister Sorgdrager een rapport gemaakt over eventuele belangenverstrengeling als gevolg van de nevenfunctie die procureur-generaal Steenhuis vervult bij het organisatie-adviesbureau Bakkenist. Bijgaand de letterlijke tekst uit het slot van het rapport-Dolman.

Na de aanvang van mijn werkzaamheden op 14 januari 1998 verschenen berichten in de media over betrokkenheid van enerzijds Steenhuis en anderzijds Bakkenist bij automatiseringsvraagstukken en -projecten op het gebied van Justitie. Mij is bekend dat daarvan ten departemente een overzicht wordt vervaardigd. Zelf heb ik mij in deze stof niet verder verdiept, enerzijds spoedshalve, anderzijds omdat mij was gevraagd feiten te verzamelen met betrekking tot het onderzoek Groningen. [...]

Het onderzoek Groningen, uitvoering.

De onderzoekers spreken tweemaal met Steenhuis in zijn hoedanigheid van procureur-generaal. Voorts is hij een van degenen aan wie op 22 december een concept van het rapport wordt voorgelegd. Hij levert stevige kritiek. De tekst wordt ingrijpend gewijzigd, echter - zo verklaren Onnes en Kampen (directeur, respectievelijk senior adviseur van het bureau Bakkenist, red.] - als gevolg van andere reacties dan die van Steenhuis. De zijne was geen verrassing. Kampen spreekt in dit verband van de 'plaat-Steenhuis die weer werd opgezet'.

Veenstra [ex-korpschef regiopolitie Groningen, red.] heeft geen aanwijzing dat de nevenfunctie van Steenhuis bij het onderzoek een rol heeft gespeeld. Zijn uitlating in de pers - 'het stonk en het stinkt nog' - heeft betrekking op iets anders: het feit dat het sterk gewijzigde rapport niet meer aan hem ter inzage is gegeven voordat het bekend werd. Evenwel resumeer ik uit het vorige hoofdstuk: a. dat Steenhuis, op verzoek van Kampen, Bakkenist de weg wees op het ministerie; b. dat hij de gelegenheid kreeg kanttekeningen te plaatsen bij de concept-offerte; c. dat Onnes, nadat de opdracht aan Bakkenist was gegund, het risico van belangenvermenging aan Steenhuis voorhield en zich door hem persoonlijk liet geruststellen.

Deze feiten en omstandigheden geven naar mijn oordeel blijk van een vertrouwelijke sfeer tussen de onderzoekers en Steenhuis.

De vraag kan dan rijzen of tijdens het onderzoek de band van Steenhuis met Bakkenist onbewust toch al dan niet van invloed is geweest op de wederzijdse bejegening van de onderzoekers en Steenhuis en in het verlengde daarvan op de inhoud van het rapport. Concrete aanwijzingen daartoe zijn ook mij niet gebleken.