Filmmaker Youssef Chahine over islam en tolerantie; De westerling heeft geen reden voor dédain

“Opportunisten die de overhand hebben, denken dat zij dat fundamentalisme ten eigen bate kunnen aanwenden,” zegt filmmaker Youssef Chahine over de situatie in zijn eigen land, Egypte. Zijn film 'De emigrant' werd er vier jaar geleden verboden. Zijn nieuwe film 'Het noodlot', tegen fanatieke fundamentalisten, wordt volgende week op het International Filmfestival Rotterdam vertoond.

'Het noodlot' gaat in Nederlandse première op het International Film Festival in Rotterdam (do 29 14.00 Luxor, zo 1 13.45 Pathé 4, ma 2 12.30 Luxor). Vanaf 12 februari draait de film dagelijks in het Nederlands Filmmuseum te Amsterdam. In het kader van het festival 'Égypte mon amour' zijn tot 11 maart drie oudere films van Chahine te zien in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Eindhoven, Maastricht en Groningen: Centraal Station, De Emigrant en De aarde (El ard, 1969).

Als je de Egyptische filmregisseur Youssef Chahine (72) op de kast wilt krijgen, moet je zeggen dat zijn jongste, 33-ste speelfilm Het noodlot (Al Massir) gaat over moslim-terrorisme, zoals dat nu Algerije, en in toenemende mate ook Egypte in zijn greep heeft. “Een terrorist is een terrorist - of hij nu een moslim, christen of jood is. De neiging in het Westen om de term 'moslim' te verbinden met terrorisme, is een belediging.”

Om ons zijn universele strekking goed in te peperen begint Het noodlot - waarvan Chahine tevens scenarioschrijver is - met een bij het Zuid-Franse Carcassonne opgenomen ketterverbranding in de twaalfde eeuw. Op de brandstapel:de Franse vertaler van de werken van de Arabische filosoof Averroës. Pas daarna verplaatst de handeling zich naar de islamitische wereld - Cordoba in Zuid-Spanje, destijds in mohammedaanse handen. “Intolerantie is van alle tijden en culturen.”

Het noodlot is een geromantiseerd relaas over de tegenstelling tussen de redelijke, menslievende islam, belichaamd door de twaalfde-eeuwse filosoof-arts Averroës, en een benepen islam van fanatieke fundamentalistische sekten, die onder het mom van vroomheid uit zijn op de macht. Voor dat doel maken zij gebruik van jongelingen die door hersenspoeling in de waan worden gebracht dat voor het ware geloof elke gruweldaad geoorloofd is.

De gelijkenis met de situatie in Egypte nú springt in het oog. Een wandeling uit mijn hotel naar de Champollion-straat in het centrum van Kairo, waar Chahine een minuscuul flatje bewoont, voert langs metaaldetectorpoortjes, afgezette straten die autobommen moeten tegenhouden, en grimmig kijkende eenheden leger en 'toeristenpolitie'. Het is in Egypte nog niet zo erg als in Algerije, maar na de aanslag op een toeristenbus in Luxor eind vorig jaar zijn drastische voorzorgsmaatregelen getroffen.

In zo'n atmosfeer zal vertoning van Het noodlot, een film tegen de wassende fundamentalistische mode, in Egypte wel problemen opleveren, denk je dan als buitenlander. Tenslotte heeft Chahine het al vier jaar aan de stok met fundamentalisten, die zijn vorige speelfilm, De emigrant (Al Mohaguer, 1994) goddeloos vonden en er aanvankelijk in slaagden hem door de rechter te laten verbieden. Maar nee: bij Chahine om de hoek, in bioscoop Odeon, draait Het noodlot, aangekondigd met zo'n ouderwetse gevelvullende schildering aan de bioscooppui. Drie huizen verderop grendelen zwaarbewapende agenten de straat voor een hotel af. De caissière van de Odeon zit daarentegen, geheel onbewaakt, in haar glazen huisje.

Chirac

“Het is geen film tegen de islam, maar tegen extremistische sekten”, zegt Chahine ter verklaring. Hij heeft eerst met tevredenheid gewezen op de brief aan de muur, waarin de Franse president Chirac hem feliciteert met de Speciale prijs voor zijn oeuvre op het laatste festival van Cannes. “Niemand zou zich in het openbaar met sekten durven identificeren.” Wat misschien ook helpt is dat Het noodlot de Arabische eer ophoudt tegen wat Chahine de 'neerbuigende houding' van het Westen jegens de Arabische wereld noemt.

De echte Averroës is namelijk niet zozeer een bekende figuur uit de Arabische geestesgeschiedenis, maar uit de Europese. Zijn commentaren op de Griekse wijsgeer Aristoteles zijn ons overgeleverd in door christenen gemaakte afschriften en behelzen een toetsing van geopenbaarde geloofswaarheden aan de vruchten van empirisch-filosofisch onderzoek. Ze vonden in de Middeleeuwen aanhang onder scholastische filosofen, totdat de kerk de 'dubbele waarheid' van het 'averroïsme' veroordeelde als een stap op weg naar agnosticisme. “De westerlingen die ons nu met dédain bejegenen, beseffen niet dat zij veel cultuur hebben overgenomen van Arabische filosofen, cartografen, medici.”

Wie van Het noodlot een filosofische film voor intellectuelen verwacht, zal raar opkijken. Net als in zijn 32 eerdere films maakte Chahine van Het noodlot een spektakelstuk - in de trant van de oudere Hollywood-cinema, genre Cecil B. De Mille. Chahine pleegt de tijd die de toeschouwer hem gunt goed te besteden: zeven, acht verhaallijnen lopen door elkaar heen, bloedige moorden vergen veel rode verf, emoties lopen hoog op.

Regelmatig barsten de partijen in het ideologisch conflict in zang en dans uit: de sekteleden eentonig en hypnotiserend; het gewone volk - waarmee Averroës warme betrekkingen onderhoudt - vol levensvreugde. Dat laatste onder aanvoering van een zigeunerin die in Cordoba de centrale functie van herbergierster bekleedt - tenslotte zijn we in Andalusië.

Voorzover bekend kwamen zigeuners pas in de vijftiende eeuw naar West-Europa, maar Chahine maakt zich weinig zorgen over zo'n anachronisme. Zijn films zijn voor het volk, zegt hij, en niet voor intellectuelen. “Ik ben ook geen intellectueel. Ik ben iemand die zijn ervaring gebruikt om zijn land vooruit te helpen en miljoenen mensen naar zijn films wil lokken. Ik zet ook bij het schrijven van een scenario thuis niet Bach of Mozart op, en wacht tot de ideeën opborrelen. Ik heb het leven van alledag nodig, en maak mijn films voor intelligente mensen, ongeacht hun rijkdom of opleiding.”

Deze populistische levensinstelling en esthetiek voert de regisseur terug op zijn jeugd in de Egyptische havenstad Alexandrië. “Moslims, christenen, Arabieren, Grieken, joden en Italianen woonden door elkaar heen. Het kon niemand iets schelen wie wat was: iedereen naaide iedereen”, schatert hij. Zelf is Chahine overigens, door zijn half-Griekse moeder, van orthodox-christelijken huize, maar niet praktiserend.

Na het wegtrekken van veel bevolkingsgroepen behoort de vrolijke mengelmoes van Chahine's kinderjaren tot het verleden, en daarmee, zegt hij, “de algemene bereidheid in de Egyptische maatschappij om de ander te tolereren voor wat hij is. Mijzelf heeft die neiging niet verlaten: ik ga altijd op zoek naar verschillen.”

Aan culturele invloeden bestond in Chahine's jeugd geen gebrek: films uit vele delen van de wereld vonden hun weg naar de kosmopolitische havenstad Alexandrië. Bij de jonge Youssef rijpte het plan acteur te worden - tot wanhoop van zijn vader, die hem liever zag in zijn advocatenpraktijk. In 1945 wist Chahine een Amerikaanse studiebeurs te ritselen en vertrok hij voor een jaar naar het dramaturgisch instituut Pasadena Players, vlakbij Hollywood, Californië.

Kakkerlak

Naar eigen zeggen zette hij daar een uitstekende Hamlet op de planken, maar tevens werd duidelijk dat er voor hem als acteur een beperkte toekomst was weggelegd: “zo'n kleine kakkerlak als ik met grote neus en oren voldeed niet als jeune premier”. Omdat bovendien de overgang van Pasadena naar Hollywood onverwachts moeilijk bleek, keerde hij terug naar zijn vaderland om daar dan maar filmregisseur te worden. Dat was toen makkelijker dan nu: in Egypte werden in de jaren vijftig per jaar meer dan honderd films gedraaid voor de Arabische markt, een industrie die door de Arabische verdeeldheid, en de concurrentie van video's en Amerikaanse films inmiddels tot zo'n tien films per jaar is verschrompeld. Als regisseur heeft Chahine vaak subtiel wraak genomen op het noodlot van zijn uiterlijke verschijning, door in zijn eigen films op te treden - flaporen en al.

Maar het publiek regeert en Chahine is er niet aan ontkomen mooie jongens aan te stellen in de hoofdrollen, zoals Omar Sharif, de wereldwijd bekendste Egyptische filmacteur die debuteerde in Chahine's Helse hemel (Seraa fi el-wadi, 1954). Een van zijn favoriete mannelijke sterren is hij aan het fundamentalisme kwijtgeraakt: “Mohsen Mohiedin, we hadden aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen. Tijdens de opnamen van De Zesde dag (El-Youm El-sades, 1986) veranderde zijn houding plotseling en zei hij 's ochtends niet meer 'goeiedag', maar 'god zij met u'. Dat soort onzin. In zijn ogen zag ik, dat hij mij was gaan haten. Zo werkt hersenspoeling.”

Na tien broeierige melodrama's maakte hij in 1958 Centraal Station (Bab el-Hadid), naar veler mening zijn beste film tot op heden. Het is een schildering van het leven van sappelaars die proberen zich staande te houden als kruier of als illegaal verkoopster van met Nijlwater gevulde, tweedehands frisdrankflesjes, gefilmd in een stijl die op het Italiaans neorealisme geënt lijkt. Chahine ontkent: “Ik ben geen imitator.”

Centraal Station is al een boordevolle film: tientallen personages, muziek (rock'n'roll), politiek (arme sloebers richten vakbond op), en vooral veel sensualiteit. De manier waarop flesjesverkoopster Hanouma haar gunsten onder meerdere mannen verdeelt of zich na een regenbui van natte kleren ontdoet, zou - meent Chahine - nu de Egyptische censuur in de scenariofase al niet meer passeren.

Maar het ware schandaal van Centraal Station, en de reden dat de film in Egypte en de rest van de Arabische wereld ijlings uit roulatie werd gehaald en Arabische filmproducenten Chahine jarenlang meden, was de rol van Kenaoui. Die speelde Chahine zelf. Kenaoui is een arme, manke, seksueel gefrustreerde krantenverkoper. Hij raakt verliefd op Hanouma, bespiedt haar tijdens een herdersuurtje met een ander, en besluit dan in woede het voorwerp van zijn liefde te vermoorden.

“Er waren mensen die mij op straat in het gezicht spuwden. In de bioscoop gooide men inkt naar het doek”, herinnert Chahine zich. “Ik had te veel van mijzelf in Kenaoui gelegd, mijn hele eigen sensualiteit en de onderdrukking daarvan. Wanneer je je te zeer identificeert met een personage, wek je afkeer. Dan geef je een al te pakkend beeld van dingen die iedereen wil verhullen - zo meenden sommigen te hebben gezien dat ik me, bij de scene waarin Kenaoui kijkt naar pin-ups, echt zou hebben afgetrokken. In die tijd was het Egyptische publiek minder puriteins dan het Amerikaanse of het Europese, maar Centraal Station ging te ver.”

Nasser

Deze film leek in 1958 het einde van Chahine's regisseurscarrière. Er volgde 'de zwartste periode uit mijn leven', met bedenkelijke films op bestelling van dubieuze financierders. Zijn come back heeft Chahine te danken gehad aan Abdel Nasser, de Egyptische leider die in de jaren vijftig de heersende aristocraten aan de kant zette, het Suez-kanaal voor Egypte innam, een volkssocialisme van eigen vinding invoerde en streefde naar politieke eenheid van alle Arabieren. Nasser vroeg in 1962 aan Chahine om, voor de genationaliseerde Egyptische filmindustrie, een film te maken die deze idealen waardig zou zijn.

Dat werd Saladin (El Nasser Salah Edinne), een spektakelstuk over de kruistochten. Christelijke aanvoerders als Richard Leeuwenhart erkennen bij de verovering van het Heilige Land, in strategisch en menselijk opzicht hun meerdere in Saladin, begenadigd aanvoerder die de verdeelde Arabische stammen tot een gemeenschappelijke defensie aanzet. Nasser was meer dan tevreden: de achthonderd soldaten die hij ter beschikking had gesteld als figurant bij de veldslagen, waren goed besteed.

Tot op de huidige dag heeft Chahine waardering voor Nasser, “eigenlijk de enige politicus die ik heb meegemaakt die eerlijk was en het goed bedoelde”. De nationalisatie van de Egyptische filmindustrie beviel hem minder: “De dommeriken die ons vroeger als producent het leven zuur maakten, werden vervangen door domme officieren. Het is altijd hetzelfde: men wil films in serie maken volgens een succesformule. Maar een regisseur weet dat elke film zijn eigen, unieke prototype is. Nasser had hoogstaande idealen, maar was voor de verwezenlijking afhankelijk van opportunisten.”

Mensen van de Nijl, een Sovjet-Egyptische coproductie uit 1969 over de bouw van de Aswan-dam, maakte een abrupt einde aan de vrijage tussen Chahine en de Egyptische overheden. De film werd na voltooiing in Egypte noch de Sovjet-Unie vertoond: “De Russen namen mij kwalijk dat in een bepaalde scène de Egyptische ingenieur voor zijn Russische collega uit liep, en de Egyptenaren vonden scènes waarin dat precies andersom was.”

Sinds 1985 beschikt Chahine over een middel om de grillen van Arabische geldschieters en Egyptische overheden aan zijn laars te lappen: gelden uit Frankrijk. Dat is begonnen met Adieu Bonaparte (Al Wadaa ya Bonaparte) uit 1985, over Napoleons verovering van Egypte. Daarin valt de nadruk op de beschavende Franse invloed - gepersonifieerd door de figuur van de Italiaanse geleerde Caffarelli (Michel Piccoli) die in het voetspoor van Bonaparte de Egyptische boeren nieuwe irrigatie-technieken bijbrengt. Ook Caffarelli's warme gevoelens voor Egyptische jongetjes worden breed uitgemeten - homo-erotiek speelt bij Chahine vaker een rol.

Censuurwet

Sinds deze Frans-Egyptische coproductie zijn Franse televisiestations en het Fonds sud van de Franse overheid Chahine's films blijven financieren. Dat gold ook voor De emigrant uit 1994 die - afgezien van een enkele besloten vertoning - in Egypte nog niet te zien is geweest. Een fundamentalistische advocaat (Chahine: 'zet alsjeblieft zijn naam niet in je krant want daar geilt hij op, aandacht in de Europese pers') liep naar de rechter omdat hij achter de figuur 'Ram', een van zeven broers die uit Palestina naar Egypte trekt en het daar tot een hoog staatsambt brengt, de oud-testamentische Jozef ontwaarde. De rechter (Chahine: 'een baardaap die kort daarna uit de rechterlijke macht is ontslagen') wees deze klacht in eerste instantie toe: de huidige, uit de jaren zeventig daterende censuurwetgeving verbiedt, behalve de afbeelding van de profeet Mohammed en diens directe omgeving, ook die van veel personen uit het Oude Testament, die als moslims avant la lettre bij de islam zijn ingelijfd.

“Vóór die idiote censuurwet werden over Jozef bij ons televisiespelen en films gemaakt”, zegt Chahine, nog steeds boos als het om De emigrant gaat. “Hoezo nu Jozef? Naijver tussen broers of emigratie zijn menselijke thema's van alle tijden. Waar kun je als filmmaker anders je stof vandaan halen dan uit het werkelijke leven?” Hij heeft het proces in hogere instantie gewonnen, maar desondanks vindt De emigrant in Egypte geen distributeur. Toen de staatstelevisie hem vorig jaar wilde vertonen, als hommage aan de zojuist in Cannes gelauwerde landgenoot, werd dat 'ergens van hogerhand' afgelast.

“Ik ben geschrokken van de mate waarin fundamentalistische gedachten al tot leidende kringen in ons land zijn doorgedrongen. Het was voor velen van hen een kleine moeite geweest om in te grijpen en het verbod ongedaan te maken, maar niemand heeft een hand uitgestoken. Zo ver gaat het al: ze zijn bang voor de fundamentalisten. Of erger nog: de opportunisten die, zoals altijd, de overhand hebben, denken dat zij het fundamentalisme ten eigen bate kunnen aanwenden”.

Deze analyse leverde de stof voor Het noodlot: de kalif (gouverneur) van Cordoba laat zich door slechte raadgevers overtuigen dat toegeven aan de eisen van de sekten zijn macht zal vergroten. De tolerante Averroës moet vluchten, zijn boeken worden verbrand. Dan pas merkt de kalif dat de sekten zijn macht niet vergroten, maar overnemen.

Het noodlot heeft een happy end: de kalif weet te elfder ure de macht der sekten te beteugelen, herstelt zijn macht door bij Alarcos overtuigend de oprukkende christenen te verslaan en Averroës' boeken worden dankzij de goede zorgen van christelijke bewonderaars gered.

Chahine is niet ontevreden en zit nog vol plannen: “Ik heb aan mijn films tot nu toe niet genoeg overgehouden om een auto te kopen, maar ik kan de films maken die ik wil. Dat is wel zo belangrijk.”