Die andere oorlog

Nora Okja Keller: Troostmeisje. Uit het Engels vertaald door Carla Benink. Luitingh-Sijthoff, 208 blz. ƒ 29,90

Joy Kogawa: Obasan. Uit het Engels vertaald door Edith van Dijk. De Geus-Epo, 271 blz. ƒ 39,90

De uitgebreide herdenkingen van het einde van de Tweede Wereldoorlog liggen alweer bijna drie jaar achter ons, maar herinneringen trekken zich daarvan weinig aan. Wel wordt het bereik van de terugblik breder. Het Nederlands oorlogsverleden zat ons uitzicht op erfenissen van die periode in andere landen nogal eens in de weg, maar dat lijkt te gaan veranderen. Ook bij Amerikaans-Aziatische families, bij voorbeeld, zijn wonden geslagen. Over die andere oorlog verschenen nu, ruim een halve eeuw na de strijd tegen Japan, twee romans. De een is goed, de ander vooral goedbedoeld.

Met Troostmeisje heeft Nora Okja Keller een indrukwekkend debuut geschreven. Haar boek kent twee vertelsters. De eerste is Beccah, net als Keller zelf een Amerikaanse van Koreaanse afkomst. Voorvallen uit haar jeugd in de culturele hutspot die Hawaï heet worden afgewisseld met scènes uit het leven van haar Koreaanse moeder Akiko.

Troostmeisje is een roman over de liefde tussen een dochter en een moeder die elkaar soms totaal niet begrijpen, een verslag van weemoed en onvermogen. Keller weet precies de toon te treffen van een kind dat gegeneerd vast moet stellen dat haar moeder anders is dan andere moeders. De moeite die het Beccah kost zich door haar pubertijd heen te worstelen ontneemt haar het uitzicht op haar moeders verleden. Op haar beurt is Akiko niet in staat naar haar eigen kind te kijken zonder aan gevaar te denken.

Akiko's zorgen gaan iets verder dan de doorsnee ouderangsten. Zij is op haar twaalfde verkocht aan een Japans legerbordeel en sindsdien is haar wereld grimmig. Na haar eerste verkrachtingen en een abortus (rattengif of de stok, vraagt de kampdokter) is zij haar vorig leven, haar jeugd en zelfs haar naam kwijt. Haar nieuwe naam is Akiko, net als de 41 vrouwen voor haar in datzelfde bed, haar identiteit anoniem en haar voornaamste gezelschap iedereen die rondom haar stierf. Later in Hawaï culmineert dat in Akiko's debuut als medium. Zonder dat haar dochter dat doorheeft en zonder dat Keller dat met zoveel woorden zegt, ontpopt Akiko zich als een wat onorthodoxe vrouwelijke sjamaan (mudang), waarvan Korea er zo veel kent. Beccahs onbegrip voor haar moeders aanvallen van razernij en ingewikkelde onderhandelingen met de doden, is de prijs voor de botsing tussen de Aziatische erfenis en de Amerikaanse realiteit van Beccahs bestaan.

Keller is fenomenaal in de beheersing van haar stijlregister. Ingetogen en weemoedig, van droomachtig tot waanzinnig, zet zij trefzeker een verloren leven en een ouder-kind-relatie neer. Er is maar een enkele, summiere beschrijving van Akiko's jaren in het kamp nodig om het hele boek te kleuren. Die ervaringen, of ze historisch nu helemaal betrouwbaar zijn of niet, zijn de basso continuo van het hele boek, ook in de af en toe grimmig-komische momenten in Beccahs levensverhaal. Troostmeisje schept hoge verwachtingen voor Kellers volgende boek.

Misschien wilde Nederland niet eerder horen wat Amerikaanse en Canadese staatsburgers van Japanse komaf is overkomen in de jaren veertig. Joy Kogawa publiceerde haar Obasan ('tante') namelijk al in 1981, maar blijkbaar is pas na het succes van Thomas Gutersons Snow Falling on Cedars de tijd rijp voor een Nederlandse vertaling. Haar roman vertelt het verhaal van de systematische vernedering door de Canadese overheid van haar eigen burgers. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor werd niet alleen in de Verenigde Staten maar ook in Canada de Japanse bevolking naar kampen afgevoerd en van haar bezit beroofd. Het duurde tot 1988 voordat de Canadese regering haar fouten toegaf en herstelbetalingen toezegde.

In Joy Kogawa's sterk autobiografische roman keert de vertelster na de dood van haar pleegvader terug naar het huis van haar pleegmoeder, de tante uit de titel. Daar, in het huis waar zij opgroeide, wacht een doos van een andere tante, Emily. Die doos is een mnemonische doos van Pandora: ze zit vol herinneringen aan de oorlog en de vertelster wil daar de deksel stevig op houden. Natuurlijk mislukt dat. Zij wordt besprongen door alle onderdrukte angsten over haar deportatie en het verlies van haar ouders. De jeugdherinneringen worden aangevuld door het kampdagboek van tante Emily die na de oorlog een verbeten strijd begint om de regering haar fouten te laten erkennen.

In Amerika wordt Kogawa op handen gedragen, maar ik vraag me af of dat niet vooral te maken heeft met de politieke correctheid van de lezers. In een bewuste poging haar roman niet aan dramatiek ten onder te laten gaan bereikt Kogawa van tijd tot tijd het andere uiterste. Wat in al zijn soberheid indruk moet maken schept dan net afstand, omdat de toon onbeholpen is. Ook de soms nogal houterige vertaling, met uitdrukkingen als 'pardoes' of 'Alle goden!', benadrukt op zo'n moment het verhaal en niet het vertellen. Dat verhaal is natuurlijk aangrijpend en de verbeten strijd van tante Emily tegen de machteloosheid dwingt bewondering af, maar als literatuur werkt het niet altijd. De les moet geleerd en onthouden; toch is het eerder een geschiedenis- dan een literatuurcollege.

Beide romans putten uit de recente geschiedenis en beide vertellen een verhaal waar nooit te lichtzinnig over gedaan kan worden. Maar waar Kogawa uitlegt, daar weet Keller in Troostmeisje te verbeelden. Dan is het de fictie die ontroert.