David S. Broder; David S. Broder is journalist; © The Washington Post. Het Witte Huis en de dingen die niet voorbij lijken te gaan

Het nieuws van de recente, nog onbewezen, beschuldigingen tegen Clinton komt plotseling maar niet onverwacht. Het publiek stond aanvankelijk terecht sceptisch tegenover de verhalen over de bronstige neigingen van hun president. Maar nu is het onmiskenbaar een donkere dag voor het Amerikaanse volk, stelt David S. Broder.

Het spookt in het Witte Huis. Al menig president heeft geschreven en gesproken over de tastbare aanwezigheid van de geesten van voorgangers in de vertrekken waar ze werken en wonen. Madison, Jackson, Lincoln en de twee Roosevelts zijn meer dan portretten - ze zijn aanwezig.

Als president Clinton het historisch besef heeft dat ik hem toeschrijf, dan moet hij deze week de schimmen van twee van die presidenten in zijn nabijheid voelen: John F. Kennedy, die er zoals we achteraf hebben vernomen diverse roekeloze affaires op nahield, zowel binnen als buiten het Witte Huis, en Richard M. Nixon, die uit zijn ambt is gezet omdat hij zijn medeweten van misdrijven had verzwegen.

Het nieuws van de meest recente - nog onbewezen - beschuldigingen tegen Clinton komt plotseling maar niet geheel onverwacht. Net als bij Watergate is elk nieuwtje slechts het volgende voorval in een eindeloos drama.

Opnieuw houdt een natie die een beter lot van zijn leiders verdient zich bezig met verhalen over bezwarende bandopnamen, berichten dat begaafde juristen wetsovertredingen hebben gedoogd of geadviseerd. Ze luistert hoe haar president afgemeten en gespannen ontwijkende antwoorden geeft, terwijl hij tegelijk staande houdt dat hij zijn volle medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn handelwijze. Opnieuw stellen de verdedigers van de president dat sprake is van een partijpolitiek gemotiveerde aanval om hem af te houden van het serieuze regeringswerk dat de kiezers hem hebben toevertrouwd.

Willen we Clintons ontkenningen geloven, dan moeten we andermaal veronderstellen dat een reeks vrouwen over een periode van twintig jaar hun verhalen over zijn bronstige neigingen hebben verzonnen en hun aantijgingen dat hij hen ertoe heeft aangezet de waarheid te verhullen hebben gefabriceerd.

Het publiek staat aanvankelijk terecht sceptisch tegenover zulke verhalen. Ze lijken zo onwaarschijnlijk - zo onverenigbaar met het openbare imago dat presidenten uitstralen. John en Jackie Kennedy waren het geïdealiseerde romantische jonge paar in een sprookjespaleis. Waarom zou hij zich hebben ingelaten met lichtekooien en gangsterliefjes? Waarom zou Nixon, meester van de subtiele diplomatie, vuilbekkend en halfdronken hebben samengezworen om zijn vijanden af te luisteren en in hun archieven in te breken?

De publieke Clinton was steeds zo'n capabele, charmante en gaandeweg steeds succesrijkere president, dat de verhalen over zijn hengstengedrag in een apart vakje van het nationale bewustzijn werden gestopt. De discrepantie, bij opinipeilingen, in de beoordeling van Clinton als president en Clinton als mens is steeds breed geweest. Maar dat heeft hem in zijn werk niet gehinderd.

Zolang de zonzijde van Clinton voortdurend in beeld was en de donkere kant veraf bleef, was het betrekkelijk gemakkelijk om de tweedeling vol te houden. Maar dit jongste onderzoek van de onafhankelijke aanklager Kenneth Starr heeft de onverkwikkelijkheden naar de jaren '90 en naar het Witte Huis zelf verplaatst.

Clinton wordt voorlopig op de been gehouden, niet alleen door de manier waarop hij zich zijn leven lang al uit situaties weet te kletsen waarin anderen ten onder zouden zijn gegaan, maar ook door de bereidheid bij zijn naasten, te beginnen bij zijn vrouw, om het voor hem op te nemen. Hillary Rodham Clinton heeft dat al vele malen gedaan, maar anderen ook, mannen zowel als vrouwen. David Maraniss van The Washington Post vertelt in zijn sublieme politieke biografie First in His Class dat Betsey Wright, lange tijd chef van Clintons staf in Arkansas, die uit hoofde van haar functie de risico's taxeerde dat Clintons vriendinnetjes hun verhaal in de openbaarheid zouden brengen, “een hekel had aan die kant van hem, maar vond dat zijn andere kwaliteiten zijn persoonlijke zwakten in de schaduw stelden.”

Ze was niet de enige. Al sinds zijn jonge jaren onderkenden mensen die Clinton ontmoetten, ook terloops, zijn uitzonderlijke intelligentie, persoonlijke betrokkenheid en overtuigingskracht - en begrepen ze hoe ver die gaven de ambitieuze Clinton konden brengen in het openbaar bestuur.

Ze kregen gelijk. Die kwaliteiten hebben hem tot de eerste Democraat sinds F.D. Roosevelt gemaakt die als zittend president is herkozen, en hebben hem tot een punt gebracht waar zijn grootste prestatie binnen bereik leek te liggen. Ten dele door de moedige strijd die hij in zijn eerste ambtsjaar heeft geleverd om de balanstekorten die hij had overgeërfd weg te werken, kan hij de natie straks het vooruitzicht bieden op een periode van sluitende begrotingen.

In zijn jaarlijkse rede, The State of the Union, zal hij dinsdag aanstaande een plan bekendmaken om eventuele begrotingsoverschotten aan te wenden om het op termijn dreigende failliet in de sociale voorzieningen op te vangen - wellicht de grootste verrichting van zijn partij in deze eeuw - en de bestendiging van dat stelsel voor komende generaties veilig te stellen.

Dat alles loopt nu gevaar, en daarmee worden de huidige gebeurtenissen tot meer dan een persoonlijk drama. Het is een donkere dag voor de Amerikaanse natie.