Algerijns Sidi Hamed in greep van doodsangst

In het Algerijnse dorp Sidi Hamed werden twee weken geleden naar schatting 400 mensen vermoord tijdens een aan moslim-extremisten toegeschreven slachtpartij. “De mensen gilden het uit. De meesten waren verlamd, totaal overmand door de doodsangst.”

SIDI HAMED, 23 JAN. Op straat jaagt een groepje jonge kinderen met stenen een straathond weg. Ze zitten het dier achterna en zowel de hond als de kinderen vinden het een leuk spelletje. Maar opeens komt de moeder, in alle staten, uit de ijzeren poort van haar huis naar buiten. Ze schreeuwt naar de kinderen dat zij onmiddellijk terug naar binnen moeten. De poort wordt snel achter hen vergrendeld.

Dit is Sidi Hamed, een dorp van enkele duizenden inwoners op enkele tientallen kilometers van Algiers waar twee weken geleden naar schatting 400 mensen werden vermoord in een aan de extremisten van de Gewapende Islamitische Groep (GIA) toegeschreven bloedbad. Het huis met de ijzeren poort ligt vlak voor de laatste bocht op de weg die recht naar de bergen leidt. En daar in die bergen, amper 300 meter verder, begint de hel.

“Daar huist het kwaad. Ze kwamen vanuit die bergen hier vlakbij. Een vijftigtal mannen, de meesten waren gekleed in de Afghaanse traditionele kaftan of in een lange djellaba met een tulband, terwijl anderen blauwe uniformen droegen. Zij waren gewapend met messen en bijlen en ze wilden de gelovigen, die voor het avondgebed in de moskee waren samengekomen, met een bom vermoorden”, zegt Rabah, een landbouwer.

“De opgeschrikte dorpelingen stoven als kippen uiteen. De GIA! De mensen gilden het uit. De meesten waren verlamd, totaal overmand door de doodsangst. Gelukkig had ik een wapen, ik kon ze een tijdje op afstand houden, maar ik was de enige die iets probeerde te ondernemen.”

“De moskee lieten ze uiteindelijk links liggen - hij was ondertussen toch al leeg. De daders brachten hun bom uiteindelijk in de videotheek vlakbij de moskee tot ontploffing. Daarna gingen ze van huis tot huis. Ze vermoordden wie ze te pakken kregen. Het waren vooral de armste mensen. Zij die niet eens een stevige voordeur hebben. Allemaal weerloze slachtoffers.” Rabah is 44 jaar en vier van zijn kinderen zijn die nacht vermoord.

Op het centrale dorpsplein worden de achterblijvende families opgevangen. Er worden dekens en voedsel uitgedeeld. Een tiener heeft een diepe, tien centimeter lange snijwond in de hals; hij is ook ernstig aan zijn rechterhand gewond. Hij is op het nippertje aan de dood ontsnapt door hard weg te rennen.

Achter de moskee van Sidi Hamed hebben de overlevende inwoners van het dorp hun vermoorde familieleden begraven. De begraafplaats heeft veel van een anoniem massagraf. De doden zijn met grote haast hun laatste rustplaats toegewezen. Dit is een nachtmerrie die niet voor het daglicht wijkt. Sidi Hamed is synoniem voor de gruweldood.

De graven zijn allemaal precies hetzelfde. Werklieden hebben er hun handen vol aan om met wat witte stenen en geraniums toch een beetje eer van hun werk te behalen. Op stukjes karton staan de namen vermeld van de doden: Omar, Mahmoud, Leila... De slachtoffers zijn allemaal op dezelfde manier omgebracht: de keel afgesneden in een helse horrornacht midden in de islamitische vastenmaand Ramadan.

Sidi Hamed ligt in de Mitidja-vallei, ten zuiden van Algiers in een streek die sinds 1992 berucht is geworden als de 'driehoek van de dood'. Toch zijn de dorpelingen hier toch maar gebleven in dit afgelegen dorp, zo vlakbij de gevaarlijke uitloper van het Atlasgebergte. Een bloedbad was bijna voorspelbaar na wat er zich een half jaar eerder hier vlakbij in Raïs en Bentalha heeft afgespeeld. Maar waar kunnen ze naar toe?

Als de inwoners zich nog enigszins illusies hadden gemaakt omtrent hun veiligheid omdat een tiental jongeren met een kalasjnikov op wacht staat - de meesten onder hen amper zeventien jaar oud en zonder enige ervaring - dan is dat nu wel helemaal anders. In de school worden zowel de kinderen als de volwassenen door psychologen begeleid.

“De mensen zijn doodsbang, ze slapen niet meer en het leven is helemaal stilgevallen”, zegt Rabah. De meeste dorpelingen zijn nu weggevlucht, want de terroristen kunnen ieder moment terugkomen en opnieuw beginnen met moorden. Wie hier nog achterblijft is paradoxaal genoeg gewoon te bang om te vertrekken. De mensen weten gewoon niet meer ze moeten kruipen.”

“Je vraagt je zeker af waarom de meeste mensen hier niet graag met je willen praten”, merkt Rabah op. “Wel, laat me je het duidelijk zeggen. Ik ben zelf niet bang voor de terroristen. Maar de meeste mensen willen geen risico's lopen. Ze willen niet de keel afgesneden worden zo gauw jullie hier weer weg zijn. Want de gendarmerie heeft ons vergeten. En één ding staat vast: de duivels komen terug.”

Dit is de bloedigste Ramadan - meer dan 1.100 doden - sinds het begin van het politieke geweld. Het geweld, dat losbarstte in 1992 toen de militairen beslisten de verkiezingen die het FIS kennelijk zou winnen, te annuleren en de noodtoestand uit te roepen, heeft volgens ruwe schattingen al het leven gekost aan meer dan 65.000 mensen.

De terreur is overal merkbaar, ook in de hoofdstad Algiers en omgeving waar de laatste dagen verscheidene bommen zijn ontploft, onder andere in autobussen en drukbezochte markten in volkswijken zoals Bab el-Oued en de Qasbah in het hart van de stad.

De straten liggen er doods bij, en alleen 's avonds, als er een einde komt aan het vasten met de 'iftar', de eerste maaltijd na zonsondergang, komt er wat drukte in de stad. De meeste mensen blijven binnen. Ze zijn door de regering gewaarschuwd. “Wees waakzaam!”, luidt haar boodschap aan de bevolking, die verder is overgelaten aan de angst en radeloosheid. Het blinde geweld kan immers overal toeslaan.