Tentoonstelling Plezieroorden in Brussel; Uitgaan op z'n Belgisch

Plezieroorden, Fondation pour l'architecture, Rue de l'Ermitage 55, Brussel. T/m 1 maart, di-vr 12u30-19u, za-zo 11-19u. Inl. 00-3226490259.

De boeren op de schilderijen van Bruegel lachen en drinken. Ze bespotten de Spaanse bezetter. Drie eeuwen later, in 1830, dansten de Brusselaars op de barricaden en dronken op de ondergang van de vervloekte Hollanders. Feestvieren in België is een vorm van verzet: soms luidruchtig en grof, vol spot en altijd met bier, veel bier. Het is het feest van de arbeiders in de kroegen van de Marollen, het oude volkshart van Brussel, waar de 'klachkop', de 'blèter' en de 'dike kont' wonen. Ze zijn te zien op de tentoonstelling Plezieroorden die, aan de hand van foto's en tekeningen, het Brusselse uitgaansleven belicht.

Rond de eeuwwisseling verrezen grote volkscafés, zoals het door Horta ontworpen Volkshuis dat veertig zalen telde of het Acht Uren Huis, waarvan de naam ontleend werd aan de arbeiderseis 'acht uur werken, acht uur vrije tijd, acht uur rust'. En altijd was er bier: brouwerijen openden hun eigen cafés, waaronder Aux Armes des Brasseurs, waar de sluis van bierbrouwer Wielemans-Cueppens 's ochtends openging, zelfs op zondag.

In deze bierhuizen hingen grote spiegels, het licht was overdadig, de muziek meeslepend luid en de banken van hout. Ze vormden een schril contrast met de weelderige balzalen van de grote hotels aan de boulevards waar de gegoede burgers onder kroonluchters dansten of sigaren rookten onder het gedempte licht in pluchen fauteuils. Het mondaine publiek bezocht ook de in Jugendstil gedecoreerde grand cafés Falstaff en Cirio, die omstreeks 1900 aan weerszijden van de Beurs hun deuren openden. Ze bestaan nog steeds, wat helaas niet geldt voor de volkshuizen: op de gevel van Aux Armes des Brasseurs zijn nog slechts vage letters te lezen boven het neonbord van Quick hamburgers.

Patriotten van een land dat uit niets is ontstaan vieren hun feestdagen vurig. In 1905, bij de 75ste verjaardag van de onafhankelijkheid, brandden zeventigduizend lampen op de Grote Markt in Brussel. Dankzij de elektriciteit veranderden de grauwe nachten in een sprookjessfeer. Architecten werd gevraagd luxueuze residenties te verlichten en de winkelgalerijen aan de Anspachlaan nodigden hun klanten uit voor 'Electrische Nachten'.

Het opzienbarendste fenomeen was toen de cinematograaf van de gebroeders Lumière. De eerste openbare vertoning, in 1896, was zo overdonderend dat het zaaltje in de Koninginnegalerij vier maanden lang was uitverkocht. Films werden aanvankelijk vertoond in zogenoemde 'café-concerts', temidden van jongleurs, goochelaars en een strijkje van Weense dames. Met de komst van de gesproken film in de jaren '30 maken de houten banken in het café plaats voor de zachtere zetels van de bioscoopzaal. Net zoals de bioscoop de Weense dames en de jongleur heeft omgebracht, werd hij op zijn beurt vermoord door de televisie. Sommige oude zalen in het stadscentrum trachten als cybertheater nu een nieuw leven te beginnen.

In een hoekje van de tentoonstelling kan de bezoeker door een luikje gluren naar de moderne oorden van heimelijk plezier: dia's van neonverlichte dames achter de ruiten in de buurt van het Noordstation. In 1901 telde Brussel er twintigduizend. Het 'politiereglement op de ontucht van de Stad Brussel' (1942) vermeldt in art. 23: 'De vensters der ontuchthuizen en deze der appartementen of kamers door ontuchtvrouwen bewoond, moeten altijd van zonneblinden of van dichte gordijnen voorzien zijn'.