Redders

Vrouwen zijn beter met slepen, zei de man van de wegenwacht opbeurend tegen me, toen mijn auto opeens zonder waarschuwing vooraf vaart minderde, begon te stinken en ten slotte niets meer deed. Ik had de middag doorgebracht in mijn huisje in de duinen dat die dag precies een jaar geleden was uitgebrand. Ik wou er voor de zekerheid zitten die middag, je weet maar nooit. Tevreden over de goede afloop reed ik naar huis, totdat ik overvallen werd door brandlucht en autopech. Soms wordt het je moeilijk gemaakt om er nog in te blijven geloven. Goddank bestaat de wegenwacht.

Afgezien van verloskundigen ken ik geen beroepsgroep waar je zo verlangend naar kunt uitzien als de wegenwacht. In volkomen afhankelijkheid wacht je op de komst van de gele autootjes, met daarin de redders in de nood, die bovendien te vertrouwen zijn: ik heb nog nooit gehoord van aanranding door de wegenwacht. Het leek me opeens een begeerlijk beroep, rondzoevend over de weg, mensen in nood bijstaand die smachtend op je wachten en dolblij zijn als je arriveert. In welk ander beroep breng je deze vreugde en opluchting nog bij mensen teweeg? Het is de situatie waarin je het meest ontvankelijk bent om voor iemand te vallen: de totale afhankelijkheid van iemands hulp en bijstand, het verlangen naar redding en verlossing.

De redder kwam in dit geval na een half uur en was zoals hij hoorde te zijn: aardig, geruststellend en doeltreffend. Hij hoefde het verhaal maar te horen, slechts een blik onder de motorkap te werpen en hij kon de fatale diagnose stellen: koppelingsplaat verbrand. Dat wordt slepen. En toen die geruststellende woorden over het vermogen van vrouwen om zich te laten slepen. Even niet dat gedoe over de leidinggevende capaciteiten van vrouwen, maar lof over de kunst om zich op sleeptouw te laten nemen, om zich - passief maar toch alert - over te geven aan de instructies van de expert. “Mannen denken dat ze het weten, en dan luisteren ze niet. Vrouwen kunnen luisteren, doen wat je zegt, en dan gaat het goed.”

Zo mag ik het horen, in al zijn eenvoud. Een nieuw aspect van de altijd nog bestaande sekseverschillen die dit keer in het voordeel van vrouwen uitvallen.

Heldere observaties, gestoeld op grote kennis van zaken op de weg. Mannen zullen ook nooit de weg vragen, vrouwen hebben daar geen enkele moeite mee, vervolgde de man van de wegenwacht, toen het slepen tot een goed einde was gebracht. Ik had als braaf en oplettend meisje goed geluisterd, en heel geconcentreerd gedaan wat hij gezegd had. Ik deed mijn uiterste best om niet los te schieten of bovenop hem te knallen, en om zijn vertrouwen in mijn sekse niet te beschamen. En ik was blij met zijn complimenten. Dit kon ik tenminste, dat was tenminste iets. Autopech ervaar ik als een persoonlijk falen, zoals ik dat ook bij ziekte doe, alsof ik het bij grotere oplettendheid had kunnen voorkomen.

Bekennen dat je benzine op is, was ook zoiets, vervolgde de man van de wegenwacht. “Vrouwen bekennen dat meteen, en mannen gaan direct roepen dat het niet kan zijn dat de benzine op is. Dan weet je direct waar de schoen wringt.”

Hij reed me intussen naar het dichtstbijzijnde station, en zijn kennis van het menselijk gedrag op de weg bleek zich niet tot sekseverschillen te beperken. “Mannen met sjieke dassen zijn het ergst: die laten zich niets vertellen, weten alles beter, en doen vervolgens de stomste dingen, zoals opeens uitstappen bij een stoplicht wat je dan niet in de gaten hebt.”

Zijn ze niet heel blij als u komt, vroeg ik opgetogen luisterend. “Meestal wel, zei hij sober en tevreden. “Alleen mannen met van die grote leaseauto's, die vinden het vanzelfsprekend dat je komt, en zijn vaak een beetje boos dat je ze een tijdje hebt laten wachten.”

Laat ze maar wachten, de mannen met de leaseauto's en sjieke dassen. De wereld was weer even prettig overzichtelijk.