Ramadan

“Vraag het imam Yacoub”, zeg ik, “het mag.” Yacoub is een magere jongeman in ouderlingenpak. Hij heeft een zwart baardje en draagt een wit verkreukeld overhemd zonder stropdas. Geen vrouw, geen strijkijzer. Zo van de theologenschool in Anatolië naar de Hollandmensen. Een tijdje geleden kwam hij met Dagiz, de tolk. Dagiz is stevig gebouwd. Met hem voer ik soms twistgesprekken in de korte pauzes. Jullie god is drie, zegt hij, en dat kan niet. Voor god is niets onmogelijk, antwoord ik zwakjes. Dagiz schudt het hoofd.

Yacoub was geagiteerd en liep voorop. Dagiz kwam klein achter hem aan. Hij klikte de doublésloten van zijn zwarte koffertje open en dicht, hij stond op en ging weer zitten. Daarna draaide hij zich naar Dagiz en fluisterde zachtjes. Dagiz keek op en tolkte Yacoubs klacht in stentorsteno: “De imam preekt elke vrijdag, Turkse dag. Maar als het vuur in zijn woorden kruipt, dan is het of er duizend djinnies in zijn buikholte in opstand komen.” Het begon er, zei hij, zo te rommelen dat hij in lange passen van de preekstoel snelde en door de deur verdween. Uitblazend op het toilet. Deur op slot, maar het lawaai drong zachtjes door tot in de gebedsruimte.

Dagiz keek strak voor zich. Yacoub zweeg. “Alleen tijdens de preek”, vroeg ik. Ze overlegden met elkaar. Dagiz bevestigde, alleen tijdens de preek. Hij kan bijna niet meer preken. Yacoub wendde het hoofd af. “Möjluk, möjluk”, zei Dagiz. “Lichamelijke ongesteldheid”, mompelde ik, “is in strijd met de waardigheid van de prediking. Hier, een half uur voor de preek twee tabletten met water innemen. En afwachten of de rust wederkeert.”

De tabletten hielpen. Via Dagiz stuurde hij bericht. Yacoub kan weer preken zonder onderbreking. Dagiz keek als de manager van een prijsvechter.

Maar nu is het Ramadan. Dagiz' vrouw moet een onderzoek ondergaan. Röntgenpap in de darm gieten. “Kan niet. Ramadan”, zegt Dagiz. Zijn vrouw steekt haar armen wanhopig in de lucht. “Kan wel”, zeg ik. “Kan niet”, zegt Dagiz, “vasten”. “Vrouw ziek”, zeg ik, “dan mag het.”

Dagiz kijkt me hoofdschuddend aan. “Bel imam Yacoub maar”, zeg ik zelfverzekerd. Ik schuif hem de telefoon toe. Er ontwikkelt zich een schreeuwend gesprek door de telefoon. Daarna praat hij tegen zijn vrouw. Hij kijkt op. “Goed, goed”, zegt hij.