Naoorlogse vormgeving heeft plek in Arnhem gekregen

Tentoonstelling: Presentatie naoorlogse toegepaste kunst en design. Nieuw ingerichte tuinzaal van het Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87 in Arnhem. Di t/m vr 10-17, za en zo 11-17.

Door HETTY TERWEE

De grote glazen schalen van Bert Frijns passen in geen enkele vitrine. Ze komen met hun doorsnede van meer dan een meter pas tot hun recht als ze op een niet te hoge tafel staan opgesteld, liefst in een lichte ruimte die hun volume en transparantie accentueert. Voor het buitenmodel sieraad van Annemarie Timmer geldt hetzelfde. De kunstenares gebruikte op het strand gejut en door het zoute water uitgebeten hout voor een omvangrijk halsstuk dat zich evenmin als Frijns' glas leent voor opsluiting. Beide objecten liggen nu op lage, van onderen belichte glazen tafels in de verbouwde tuinzaal van het Arnhemse Museum voor Moderne Kunst.

Deze zaal huisvestte tot voor kort de archeologische afdeling. De Gelderse bodemvondsten kregen elders in de stad onderdak en er kwam dus plaats vrij voor de naoorlogse vormgeving, een van de belangrijke deelgebieden van het museumbezit: keramiek, glas, sieraden en het onvermijdelijke 'design'. In die laatste categorie vallen onder meer tassen en bestek.

Ward Schrijver, architectonisch vormgever in Amsterdam, kreeg vorig jaar opdracht om de ruimte te restaureren en in te richten. Gelukkig gaat zijn architectuur geen concurrentie aan met de museumcollectie. Die bleef uitgangspunt en einddoel van de renovatie. De zaal, met grote ramen die een panorama op de Rijn bieden, grenst via een romantisch verwaarloosd terras aan de parkachtige tuin. Om zo harmonisch mogelijk 'binnen' en 'buiten' te verbinden, koos Schrijver voor natuurlijke kleuren die variëren van een helder groen voor het tapijt tot een grijsachtig blauw voor de wanden en het geperforeerde staal van de kasten. Drie grote muurvitrines hebben een beurtelings matte en heldere glazen afscheiding. Het matglas sluit niet alles af: het is zo aangebracht dat de achterliggende depots een glimp van hun inhoud prijsgeven. Door de nieuwe, ruime opstelling komen de objecten, die wegens plaatsgebrek een verborgen bestaan leidden, eindelijk voor het voetlicht.

De meeste kunstenaars zijn vertegenwoordigd met meer dan één voorwerp, waardoor de consistentie in hun werk duidelijk wordt. Drie vazen van Willem Heesen uit de jaren omstreeks 1980 onderstrepen de toenmalige artistieke belangstelling voor het landschap. Dunne kronkelige lijnen op helder glas herinneren aan verwaaid riet dat rivieren omzoomt. Dezelfde 'natuurlijke' inspiratiebrom was basis voor de keramiek van Iet Cool: vaalwit en beige geglazuurde bloemvormen, nog net betrapt voor hun definitieve verwelken.

Het museale aanschaffingsbeleid voor keramiek en glas zal de komende jaren vooral gericht zijn op functionaliteit. Aankopen die met een gedekte tafel en ander dagelijks gebruik hebben te maken, krijgen prioriteit. Dat ook op dat beperkte terrein nog steeds vernieuwing mogelijk is, bewijzen de geblazen en ge-etste maaltijdglazen van Mariëlle van Staalen. Een simpele kelk en een korte stevige bolletjesbasis zijn bestand tegen een stootje.

Het begrip functionaliteit staat uiteraard haaks op het interessantste deel van de vormgevingsafdeling in Arnhem: de sieradenverzameling. Het Arnhemse museum beschikt, met werk van ruim negentig ontwerpers, over de grootste collectie Nederlandse sieraden van na 1960. Tot de vroege voorbeelden behoren de aluminium kussenbroche van Françoise van den Bosch en de armbanden van Emmy van Leersum, kokers van vloeipapier die in pvc gelamineerd zijn. In hun strengheid en soberheid zijn het schoolvoorbeelden van de anti-status en anti-glamour opvattingen uit de jaren zestig en zeventig, waarin kostbaar materiaal uitdrukkelijk verboden leek. De sculpturen, volgens geometrische systemen ontworpen, kwamen met behulp van passer en liniaal tot stand op de tekentafel. Vorm- of materiaalonderzoek stond centraal, maar het resultaat was zelden feestelijk of flatteus.

De broches, ringen, armbanden en kettingen uit de jaren daarna zijn veel speelser zoals het egelsieraad van Martina Czunzeleit, een zwart rubber halsband bezet met helder blauwe en gele satéprikkers. Een poëtischer combinatie is het Japanse papier met de donkere inktvegen waarvan Marjorie Jacobs een lieflijke lichtgewicht kraag maakte.

Verwacht mag worden dat het sieradenbezit blijft groeien. Het Arnhemse museum geeft immers consequent voorrang aan vrouwelijke exposanten. En de meeste ontwerpers van armbanden, ringen en dergelijke zijn nog altijd vrouw. Bovendien is er dan nu de tuinzaal bijgekomen als ideale tentoonstellingsruimte.