Meindert Tjoelker

Daags na de uitspraak in de zaak-Tjoelker werd ik, in mijn functie van hoogleraar strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, door Marcel Haenen gevraagd om commentaar op de uitspraak en op de rol van het openbaar ministerie. Ik besloot om mij niet in deze zaak te laten interviewen, omdat ik tevens raadsheer-plaatsvervanger ben in het gerechtshof Leeuwarden. Dit hof zal de zaak in hoger beroep moeten behandelen.

Hoewel ik ervan uitging dat ik als plaatsvervanger niet op deze behandeling zal worden gezet, koos ik toch voor een zeer voorzichtige opstelling. Ik achtte het niet ondenkbaar dat het gerechtshof in deze zo zwaar beladen zaak door sommigen geassocieerd zou worden met bepaalde in de krant staande opiniërende opmerkingen van mij, waardoor de schijn van vooringenomenheid zou kunnen ontstaan. Hoogleraren en andere wetenschappers op het terrein van het strafrecht hebben echter ook de plicht om hun stem te laten horen wanneer dergelijke de maatschappij in beroering brengende zaken spelen.

Ik deelde dus mee dat ik vanwege mijn raadsheer-plaatsvervangerschap bij het gerechtshof Leeuwarden mij niet wilde laten interviewen over deze zaak. Vervolgens vroeg de verslaggever mij of ik misschien wel bereid was om iets over de weerbarstige juridische aspecten van de zaak uiteen te zetten. Als professioneel én gedreven docent heb ik hem toen telefonisch het een en ander uitgelegd. Daarbij heb ik het onder meer gehad over andere, mijns inziens kansrijker constructies waarvoor het OM had kunnen kiezen bij het opstellen van de telastelegging. Op zijn vraag of ik dan begreep waarom het OM in de telastelegging niet voor één of meer andere ankers was gaan liggen, antwoordde ik dat ik dat niet begreep.

Diezelfde dag nog (7 januari) verscheen een artikel, waarin onder meer gewag werd gemaakt van een raadsheer van het gerechtshof Leeuwarden die het optreden van het OM in deze zaak als 'onbegrijpelijk' kwalificeerde, maar anoniem wilde blijven omdat hij mogelijk in hoger beroep de zaak zou moeten behandelen. Door deze handelwijze werd het omgekeerde bereikt van wat ik beoogde. Ik keur dit sterk af. Uiteraard was het niet de bedoeling dat een uiteenzetting, gegeven om de betrokken journalist bij te praten, op deze wijze in de publiciteit werd gebracht. Bovendien werd ik in mijn hoofdfunctie van hoogleraar benaderd, terwijl vervolgens in het artikel wordt gesproken over een raadsheer, waarmee de suggestie wordt gewekt dat het om een professionele, vaste rechter ging.