Krokodillentranen

Met belangstelling las ik het artikel over de krokodillentranen van Ewoud Sanders (NRC Handelsblad, 19 januari). Als oud-leraar biologie zij het mij vergund hierbij een enkele kanttekening te maken.

Menselijke eigenschappen toeschrijven aan dieren en omgekeerd is in de gedragsleer altijd een riskante zaak. Beperkt dit streven zich tot fabeldieren dan kunnen we er vrede mee hebben. Anders wordt het wanneer het geprojecteerd wordt op actueel levende diersoorten in casu de krokodil en controversen oproept met de leer der levensverrichtingen (fysiologie) van de betreffendde diersoort.

Geheel buiten de eventuele gevoelens van de krokodil blijvend, is het beest eenvoudig genoodzaakt zilte tranen te vergieten met een hoog zoutgehalte om het overtollige zout kwijt te raken, dat hij door het eten van zijn prooidieren binnen gekregen heeft. De nieren zijn slechts in staat een urine te produceren met een laag zoutgehalte. De belangrijkste overigens stikstofhoudende uitscheidingsstof is immers als bij vogels (kippen!) het witte slecht oplosbare urinezuur. In verband met het dikke hoornpantser ontbreken de zweetkliertjes waardoor via deze weg geen uitscheiding respectievelijk afgifte van zout mogelijk is. En de krokodil maar lachen om de domme, on-fysiologische mensen met hun huiltheorieën!