Het MOI-verdrag

Bij de verhuizing kwamen ze onlangs weer te voorschijn: glazen bierpullen die de Leidse universiteit in 1970 bij gelegenheid van haar lustrum op de markt bracht. Dat waren tijden. Aan de universiteiten maakten opeens nogal wat studenten en docenten zich zorgen over de existentiële perspectieven van de 'eendimensionale' mens, die naar werd vermoed verdwaasd zijn heil in ongebreidelde consumptie zocht. De drijfveren van het bedrijfsleven waren per definitie verdacht.

Het streven naar geldelijk voordeel (althans, wanneer het 'winst' heette) was in veler ogen zonder meer verwerpelijk. Studenten hadden uiteraard recht op volwaardig studieloon. Nu ja, die folklore is elders al voor het nageslacht vastgelegd.

Tijdens het bedoelde lustrumcongres hield een kritische werkgroep zich bezig met investeringen van Shell in de Derde Wereld. Investeringen in landen met een bedenkelijk regime werden aan de kaak gesteld. De onmiskenbare voordelen voor de plaatselijke bevolking (extra werkgelegenheid, bovengemiddelde inkomens voor de betrokken werknemers) kregen nauwelijks aandacht. Laat staan dat de activisten begrip konden opbrengen voor de risico's die wereldwijd investerende bedrijven lopen, omdat altijd de kans bestaat dat lokale machthebbers de ter plaatse gebouwde productie-installaties naar willekeur en zonder adequate schadevergoeding naasten. Nee, in plaats daarvan overheerste de opvatting dat 'uitgebuite' derdewereldlanden via onteigening van het bezit van Westerse kapitalisten een historische rekening konden vereffenen.

Inmiddels is de slinger teruggezwaaid. Zelfs vertegenwoordigers van klein links hebben tegenwoordig oog voor de bepaalde voordelen die buitenlandse investeringen een ontwikkelingsland kunnen brengen. Daarbij speelt een rol dat de nadelen van officiële ontwikkelingshulp steeds meer in het oog springen: bureaucratische zwamvorming hier en daarginds, corruptie, verstoring van gezonde economische prikkels en groeiende donorafhankelijkheid van de ontvangende landen.

Sinds 1973 zijn de grensoverschrijdende investeringen van ondernemingen verveertienvoudigd tot meer dan 350 miljard dollar per jaar. Nationale overheden staan tegenwoordig in de rij om investeerders binnen te halen. Zij beseffen dat buitenlandse ondernemingen extra banen scheppen en vaak leiden tot vernieuwing van de nationale productiestructuur. Dankzij buitenlandse investeerders kunnen de consumenten kiezen uit een ruimer pakket goederen en diensten, van hogere kwaliteit tegen lagere prijzen. Maar al wordt nog zo vaak de rode loper voor ze uitgerold, buitenlandse kapitaalverschaffers blijven zich terdege bewust van hun kwetsbaarheid. Zij verlangen naar afdoende bescherming van hun investeringen. Zij eisen zekerheid dat regels en producedures niet van de ene op de andere dag veranderen. Zij zijn uiteraard gekant tegen beschermende maatregelen ten gunste van gevestigde binnenlandse producenten.

Een bestaand netwerk van meer dan zestienhonderd bilaterale verdragen biedt investeerders op dit moment slechts een deel van de gewenste bescherming. De inhoud van die verdragen varieert nogal. Daarom werkt de in Parijs gevestigde Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) al geruime tijd aan een voor alle aangesloten landen gelijkluidend internationaal verdrag, de Multilaterale Overeenkomst inzake Investeringen (MOI, Engels: MAI). Dit initiatief is niet verwonderlijk, want de 29 bij de OESO aangesloten industrielanden nemen op het ogenblik 85 procent van alle grensoverschrijdende investeringen voor hun rekening. De MOI, eenmaal tot stand gekomen en door een groeiende groep landen ondertekend, biedt straks waarborgen ter bescherming van voorgenomen en in het verleden verrichte investeringen door particuliere ondernemingen. Ook landen die geen deel uitmaken van de OESO kunnen zich bij het verdrag aansluiten. Zij krijgen dan dezelfde rechten en verplichtingen als de OESO-landen.

Het MOI-verdrag bepaalt dat nationale wetgeving en administratieve procedures buitenlandse investeerders niet mogen bevoordelen boven investeerders uit eigen land. Krijgt een buitenlands bedrijf een investeringssubsidie, dan kunnen ook andere binnen- en buitenlandse investeerders daarop aanspraak maken. Zij dienen zich verder aan dezelfde milieuvoorschriften te houden. Landen mogen niet langer via systematische verslechtering van arbeidsvoorwaarden ('sociale dumping') proberen extra investeringen aan te trekken. De regels en procedures die hierop betrekking hebben moeten openbaar zijn. Wil een multinational in een bepaald land behaalde winsten overboeken naar zijn thuishaven, dan mag die onderneming volgens het nieuwe verdrag niets in de weg worden gelegd. Ook mag het land van vestiging niet proberen eigen, minder gekwalificeerde werknemers te bevoordelen. Personeel op sleutelfuncties en gespecialiseerde technici moeten (tijdelijk) vrij toegang krijgen tot landen waar de multinationals nieuwe investeringen doet. Onteigening van de productie-installaties door het vestigingsland is uitsluitend toegestaan in het algemeen belang en tegen onmiddellijke en adequate vergoeding aan de eigenaren. Worden landen en investeerders het in dergelijke gevallen onderling niet eens, dan komt er een procedure voor bindende arbitrage.

Het verdrag staat bepaalde uitzonderingen toe. Het is bijvoorbeeld niet van toepassing wanneer landen hun nationale veiligheid bedreigd achten, of in het geval dat de stabiliteit van hun financiële systeem gevaar loopt. Verder kunnen landen proberen bepaalde uitzonderingen op de regels van het verdrag veilig te stellen. Op afzienbare termijn kunnen nationale parlementen zich hoogstwaarschijnlijk over de MOI uitspreken. Veel stof zal het verdrag in ons land niet doen opwaaien. Op alle fronten hebben de linkse activisten van weleer de strijd definitief verloren.