Heerenveen bewijst ijshockey goede dienst

EINDHOVEN, 22 JAN. Een vervallen bolwerk reikte het Nederlandse ijshockey gisteravond de hand. Heerenveen, eens een grootmacht op de nationale ijsvloeren, toonde in Eindhoven weer een teken van leven waar zelfs de verliezer na afloop een toost op uitbracht. “Het ijshockey heeft gewonnen. Dat telt, ook al hebben wij vanavond verloren”, zei Tilburg-voorzitter Jan de Greef na de 3-1 nederlaag van zijn ploeg in de strijd om de nationale beker.

De laatste jaren waren Tilburg en Nijmegen toonaangevend in Nederland. Ze verdeelden zowel in het bekertoernooi als in de competitie de prijzen. Die overmacht was vooral gebaseerd op het surplus aan financiële middelen ten opzichte van de overige clubs in de eredivisie. Mede daardoor raakte het ijshockey in Nederland steeds meer in verval.

Gisteren doorbrak Heerenveen de gezagsverhoudingen. Vorig seizoen gaven de Friezen al blijk van hun grote ambities. In een enerverend duel, met hier en daar zowaar een technisch hoogstandje, versloegen de Flyers de sterker geachte Trappers, titelverdediger en voor de vijfde keer op rij in de bekerfinale. Een heldenrol was weggelegd voor Flyers-doelman Marcel Nijland die zijn ploeg vooral in de tweede periode op de been hield.

De bekerzege van de Friezen leidde in Eindhoven tot een golf van nostalgie, vooral bij de ruim zeshonderd supporters die graag willen dat de roemrijke tijden herleven. Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig beleefde de club een bloeiperiode, met dank aan een gulle geldschieter (Feenstra) en veel talent (Nederlandse Canadezen). Destijds waren de Flyers oppermachtig in een competitie die zowel in financieel als in sportief opzicht gezond was.

Tien jaar geleden won Heerenveen de laatste hoofdprijs, door als eerste te eindigen in de bekercompetitie die destijds nog geen finalewedstrijd kende. Sindsdien brokkelde het bolwerk steeds verder af. Het verval was symbolisch voor de neergang van het Nederlandse ijshockey. Sponsors, spelers en publiek keerden Heerenveen de rug toe. “Friesland was het ijshockey zat”, zegt voorzitter Sieb Braaksma, al bijna twintig jaar betrokken bij de club. “Sponsors en publiek waren verzadigd na zoveel successen.”

Braaksma zag de ontmanteling van de club met lede ogen aan. “Ik ben helemaal gek van het spelletje en met mij nog een paar mensen, maar die groep werd steeds kleiner. De club balanceerde op de rand van de afgrond en steeds meer mensen lieten het hoofd zakken. Zo van: we trekken aan een dood paard, laten we ons bezig houden met zinnige zaken.”

Na een korte afwezigheid keerde Braaksma twee jaar geleden als voorzitter terug in het bestuur. Met een geloof in betere tijden ging hij aan de slag. “Het moest afgelopen zijn met de hegemonie van Nijmegen en Tilburg, dat was de opdracht die wij onszelf stelden. De organisatie stond er, de financiën boden ons niet veel ruimte, maar genoeg om het roer om te gooien. Het ging feitelijk slechts om de bezetting op het ijs.”

Sterke spelers vond Braaksma in Zweden en Finland, landen met een grote ijshockeytraditie en sterke competities. Een Zweedse coach (Thomas Sjögren) werd aangetrokken, gevolgd door vier spelers uit Scandinavië. Daarmee brak Braaksma, directeur van een bedrijf in petrochemische middelen, met de traditie van de Canadees getinte strijdwijze die tot voor kort de boventoon voerde in de eredivisie. “Nederlanders zijn beter uitgerust op het technische ijshockey van de Scandinaviërs dan op het fysieke spel van de Noord-Amerikanen.”

Al na een sezioen vertrok Sjögren wegens heimwee. Afgelopen zomer werd hij opgevolgd door Tiemo Turunen, een voormalig Fins international die vier landgenoten meenam naar Heerenveen. Het Finse contingent, vorige week uitgebreid tot zes met de komst van aanvaller Tommi Tarvainen, vormt de kern van de selectie. De Finnen doen oude tijden herleven. Al wil Braaksma daar niets van weten. “Aan het verleden heb ik geen boodschap. Die tijd hangt als een molensteen om onze nek en die ballast ben ik liever kwijt dan rijk.”