Europa is meer dan één munt

Een debat over Europa hoort over Europa te gaan. Maar er wordt vrijwel alleen over de euro gepraat. Het onderwerp cultuur komt nauwelijks aan bod en hoe de democratie binnen de Unie versterkt moet worden weet ook niemand. Dat belooft weinig goeds, vindt Siep Stuurman.

Met het openbare debat over Europa in Nederland is iets merkwaardigs aan de hand. Regering en parlement marcheren rustig voorwaarts richting euro. De VVD sputtert wat tegen maar zal, wanneer het moment daar is, braaf meewerken.

Voor zover kritiek op het Europese project wordt geuit, is de toonzetting overwegend defensief: wordt de euro wel net zo hard als de gulden, komt het Nederlandse drugsbeleid niet in gevaar, is de belastingmoraal in Zuid-Europa wel in orde, zullen de kleine landen niet door de grote worden overheerst? Ook de, op zichzelf terechte, kritiek op het democratische deficit van de Europese Unie wordt gemakkelijk meegezogen in dit brommerige nationalisme: de klaagzang van de brave Nederlandse burger die pal staat tegen de grote boze buitenwereld. De discussianten houden vol dat ze het over Europa hebben, maar het gaat voornamelijk over Nederlandse zaken en zorgen. Als in naam van een 'wij' wordt gesproken, betekent dat meestal 'wij Nederlanders' en zelden of nooit 'wij Europeanen'.

Het absolute dieptepunt in dit genre was het recente optreden van minister Zalm inzake Italië. De revolutionaire hervorming van de Italiaanse Republiek, een staat die zichzelf letterlijk aan zijn eigen haren uit het moeras trekt, wordt gereduceerd tot een zaak van polderlandse boekhoudkunde. Zou Zalm zich realiseren dat een uitsluiting van Italië uit de EMU kan leiden tot een economisch oproer van de noordelijke burgerij en zelfs tot het uiteenvallen van het land? Gaat de Europese verantwoordelijkheid van onze politici werkelijk niet verder dan de procentpunten van het financieringstekort?

Een debat over Europa hoort over Europa te gaan. Het uitgangspunt is niet moeilijk te vinden. De Europese Unie ontwikkelt zich de facto tot een soort proto-staat. De vraag is wat voor soort Europese staat we op den duur willen, gegeven het incrementele proces van staatsvorming dat gaande is.

Niemand wil namelijk terug - dat maakt het nationalistische gebrom ook zo irrelevant.

Om te beginnen: de euro en de economie, daarna komt de cultuur en ten slotte de democratie. Eerste vraag: moet de euro komen? Ondanks mijn bezwaren tegen het ontbreken van een compenserende economische, fiscale en sociale politiek op Europees niveau ben ik geneigd de vraag bevestigend te beantwoorden. Als de gemeenschappelijke munt nu niet komt, gebeurt het waarschijnlijk nooit meer. Zowel de uitbreiding van de Unie met nieuwe leden als de divergerende reacties van de nationale economieën op de voortgaande globalisering zullen het in de toekomst alleen maar moeilijker maken dan het nu al is. De economische globalisering wordt vaak voorgesteld als een toestand die er al is, maar het gaat eerder om een voortgaand proces dat nationale economieën voor bepaalde keuzen stelt.

Als de euro strandt zal een golf van nationalistische scepsis het gevolg zijn: de Europese naties zullen verschillend reageren, de verleiding om op vormen van nationale afscherming terug te vallen zal zeer groot worden, en een toekomstige Europese sociaal-economische politiek zal verder weg zijn dan ooit. Kanselier Kohl zag in zo'n geval zelfs het spookbeeld van de oorlog weer opdoemen. Dat is wellicht overdreven, maar dat de onderlinge relaties van de Europese staten in zo'n scenario minder vriendschappelijk zullen worden staat wel vast. Dat de nationale staten in de toekomst door de economische internationalisering minder speelruimte zullen hebben, staat ook vast. De EU zal daarentegen wél een zekere autonomie kunnen behouden, vooral omdat de onderlinge vervlechting van de Europese nationale economieën veel verder is voortgeschreden dan de 'globalisering' op wereldschaal. Wat in de eerste plaats voorkomen moet worden, is dat de Europese staten op het Europese veld zelf tegen elkaar worden uitgespeeld.

Daar komt nog iets bij. Een echte Europese economische en sociale politiek zal nooit als een deus ex machina uit de hoge hoed van Jacques Delors komen. Uitsluitend de reeds bestaande instituties van de Europese Unie kunnen het kristallisatiepunt vormen voor nieuwe vormen van Europees beleid. Zo is het in de nationale staten ook altijd gegaan. De mogelijkheid er iets bij te bouwen, als aanvulling van of, niet onbelangrijk, als tegenwicht tegen bestaande instituties, was steeds het aangrijpingspunt voor de creatie van nieuwe instellingen. In plaats van klagen en brommen kunnen we daarom beter gewoon beginnen met een discussie over de institutionele vormgeving van een Europese economische, fiscale en sociale politiek.

Dan de cultuur. In deze krant waarschuwde de filosoof Philipse onlangs tegen een onderschatting van de cultuurverschillen binnen Europa. Daarin heeft hij maar gedeeltelijk gelijk: er zijn grote verschillen in gewoonten, manieren en 'praktische moraal', maar tegelijkertijd grote overeenkomsten in fundamentele waarden zoals democratie, billijkheid en een redelijke mate van verdelende rechtvaardigheid. De kwestie van de cultuurverschillen roept twee vragen op. In de eerste plaats kunnen we ons afvragen of zulke verschillen louter negatief gewaardeerd moeten worden. Net als in de nationale gemeenschappen gaan pluriformiteit en stabiliteit in Europa waarschijnlijk goed samen. De tweede vraag betreft het Europese beleid op dit terrein: wat is precies het probleem en wat zou er aan gedaan kunnen worden? Ik denk dat we bij de taal moeten beginnen. De veelheid van talen in Europa maakt het moeilijk tot een echte Europese arbeidsmarkt te komen en belemmert ook alle andere vormen van communicatie, inclusief de politieke.

Laat ik een 'utopisch' voorstel doen. Het is bekend dat kinderen ongeveer tussen hun zesde en hun zestiende levensjaar het gemakkelijkst nieuwe talen leren. Waarom zou het onderwijs in de landen van de EU niet zo kunnen worden ingericht dat alle leerlingen behalve de eigen taal nog twee of liefst drie andere talen leren? Zoiets lijkt op dit moment misschien onrealistisch, maar technisch en financieel is het zeer goed mogelijk. Het is een kwestie van prioriteiten. Er zijn geen nieuwe bureaucratische instellingen voor nodig, maar alleen een akkoord tussen de landen van de EU om deze weg in te slaan. Waarom zouden we niet een stukje van de enorme onderwijsinspanning gebruiken om het Europese burgerschap althans enige concrete inhoud te geven? Doorslaggevende voordeel van zo'n aanpak is dat pluriformiteit en uniformering in evenwicht blijven. Het is bovendien esthetisch aantrekkelijker dan de serie-productie van steenkolen-Engels 'Europeanen'.

Ten slotte de democratie. De Eurosceptici roepen in koor dat 'de' democratie in de Europese Unie versterkt moet worden, maar ze vertellen er zelden bij hoe dat doel bereikt kan worden afgezien van de voor de hand liggende aanbeveling de macht van het Europese parlement te vergroten. Wat er niet altijd hardop bij gezegd wordt, is dat zulks een evenredig machtsverlies van de nationale parlementen impliceert. De vorming van een federale Europese 'staat' brengt met zich mee dat de democratische legitimiteit verdeeld zal worden over de naties en de Europese Unie. Het huidige Europarlement mist echter de legitimiteit om zo'n machtspositie op te eisen. Dat komt omdat het geen echt Europees parlement is maar een verzameling nationale parlementjes die voor de vorm op dezelfde dag gekozen worden.

Het is daarom allereerst nodig het huidige 'Europese' parlement wat Europeser te maken, bijvoorbeeld door het passief kiesrecht voor dit parlement te denationaliseren. Waarom bijvoorbeeld niet evenredige vertegenwoordiging op Europees niveau? De oude nationale partijen, geworteld in de nationale politieke culturen, moeten geen beschermde jachtgebieden hebben. Grensoverschrijdende partijen en coalities moeten bevorderd worden. Pas dan kan een echte Europese volksvertegenwoordiging ontstaan, een Europees parlement dat niet nederig om een klein handje macht bedelt, maar dat macht néémt, zoals succesvolle parlementen in de Europese geschiedenis dat altijd gedaan hebben. Pas daarna zal de weg naar een Europese federale staat openliggen. Zonder de creatie van een Europese democratische legitimiteit is zo'n staat waarschijnlijk onmogelijk en op den duur trouwens onwenselijk.