Dertig mensen hebben zich gemeld voor teruggave oorlogskunst; 'Claim Goudstikker verjaard'

De kans is klein dat staatssecretaris Nuis (Cultuur) de Goudstikker-claim honoreert. Erfgenamen van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker eisen ongeveer 150 waardevolle schilderijen op van de staat. Maar Nuis sluit niet uit dat de staat 'een gebaar' maakt.

ZOETERMEER, 22 JAN. Embarrassing, gênant. Dat is de zaak Goudstikker voor de Nederlandse overheid, aldus de auteur van een paginagroot artikel in The New York Times vorige week. Twee keer is de erfgenamen van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker onrecht aangedaan: één keer door de nazi's, die tijdens de oorlog de kostbare kunstcollectie van Goudstikker roofden, en één keer door de Nederlandse staat, die na de oorlog weigerde de terugevonden schilderijen te retourneren. Zo kan het verhaal in de Amerikaanse krant kort worden samengevat.

“Wilde beschuldigingen”, is de reactie van A. Nuis, als staatssecretaris van Cultuur verantwoordelijk voor de afhandeling van de affaire. Hij is enigszins verontwaardigd. Met name door het “misverstand” dat de staat de onlangs ingediende claim van de erven afwijst met het argument dat de schilderijen tijdens de oorlog vrijwillig werden verkocht. Nuis: “Natúúrlijk was die verkoop niet vrijwillig. Dat is ook voor mij duidelijk. Ik heb nooit het tegendeel beweerd. Het beeld dat Göring gewoon wat schilderijtjes heeft gekocht, is belachelijk.” Maar, zegt Nuis: “De zaak is na de oorlog uitvoerig behandeld.”

De Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940) bezat voor de oorlog een kunstcollectie 'van Europese faam'. Die liet hij achter toen hij in mei 1940 vluchtte - Goudstikker was joods - voor de nazi's. Op het schip dat hem naar Engeland zou brengen kwam hij fataal ten val en overleed. Zijn achtergebleven personeel verkocht de kunsthandel aan de Duitse bankier Alois Miedl, die vervolgens een kleine 800 schilderijen doorverkocht aan Generalfeldmarschall Hermann Göring. De driehonderd schilderijen uit de collectie Goudstikker die na oorlog werden teruggevonden gingen naar de Nederlandse staat.

De weduwe van Jacques Goudstikker, Désirée von Halban, probeerde vanaf 1946 de bezittingen van haar echtgenoot terug te krijgen. In juridische termen: ze zocht rechtsherstel. “Rechtsherstel”, zegt Nuis, “betekende dat iemand zijn spullen terugkreeg als hij de staat het geld gaf dat daar in de oorlog voor was betaald”. Göring betaalde in 1940 twee miljoen gulden. Maar dit deel van de transactie werd juist niet aangevochten. In 1952 trof Dési een schikking met de Staat waarbij ze verklaarde, zij het onder protest, een streep te zetten onder alle lopende procedures. Volgens de erven van Goudstikker, die de schilderijen nu terugeisen, was de weduwe 'stukgeprocedeerd' door de Staat en onjuist voorgelicht.

“Ik denk niet dat ze een absurd laag bedrag heeft gekregen”, zegt Nuis, “al sta ik open voor bewijzen van het tegendeel. Je moet het in het licht van die tijd bekijken. Een briefje van duizend was toen, geloof ik, het grootste biljet bij het Monopoly-spel. Maar uiteindelijk was het bedrag dat ze kreeg niet eens relevant, omdat ze de schilderijen terug kon krijgen in ruil voor dat bedrag, of een deel daarvan.” Over de bewering dat de weduwe-Goudstikker zou zijn misleid zegt Nuis: “Haar advocaten waren niet van gisteren; en de notarissen die na de oorlog bij de zaak betrokken waren, waren in de jaren dertig al aan de kunsthandel verbonden, dus die kenden de zaak door en door.”

De staatssecretaris: “Waar het om gaat is niet de onvrijwilligheid in 1940, maar de vrijwilligheid in 1945 en later. Mijn indruk is dat de erven na de oorlog werkelijk een keuze hadden. Natuurlijk kun je, met de wijsheid van nu, zeggen: wat sneu, ze hadden dat nooit moeten doen. Maar ja, ik weet ook wel dingen die ik veertig jaar geleden anders had willen doen. The road not taken, dat heeft niet veel met moraliteit te maken.”

Hadden de erfgenamen terug willen komen op de schikking van 1952, dan hadden ze dat binnen twintig jaar moeten doen. Nu is er dus sprake van verjaring. De Staat zal vasthouden aan die verjaring indien het tot een rechtzaak komt, zegt Nuis. “Je moet het recht het recht laten. Je haalt meer overhoop dan je oplost als iedere generatie een afgesloten zaak kan overdoen.”

Nuis heeft nog niet besloten wat hij zal antwoorden op de brief die de advocaten van Goudstikkers erven hem 9 januari j.l. stuurden, waarin zij alle schilderijen terugeisen. “Puur juridisch hebben ze niet zo'n geweldig sterke zaak”, denkt hij. “Maar mochten er nieuwe feiten ontdekt worden, waaruit blijkt dat er sprake is van aperte onrechtvaardigheid, dan moet je misschien zeggen: de zaak is verjaard, maar we maken toch een gebaar.” Een voorwaarde is dan wel dat dit strikt beperkt blijft tot “het specifieke geval”.

Door de vele publicaties over de zaak Goudstikker en andere gevallen van roofkunst, in binnen- en buitenland, zijn ook anderen op een idee gebracht. Nuis: “Het heeft geleid tot een gestage regenbui van briefjes.” De afgelopen zes maanden meldden zich zo'n dertig mensen, die òf vermoeden dat de staat een schilderij bezit waar zij recht op hebben òf dat zeggen te weten, omdat ze het ergens hebben zien hangen.

Vorige zomer heeft Nuis al een verkennend onderzoek laten instellen naar de door de Stichting Nederlands Kunstbezit na de oorlog teruggehaalde roofkunst. De uitslag van deze steekproef wordt pas in april verwacht, maar de indruk van Nuis is “dat er wel iets uitkomt”. Op basis van dat onderzoek heeft Nuis inmiddels al besloten een oud instrument, een kistorgel, uit de collectie van het Haags Gemeentemuseum terug te geven aan Polen.

Het bewijs blijft in dergelijke zaken, na zoveel tijd, een probleem. De overheid stelt zich daarbij “niet krampachtig” op, zegt Nuis. Sterker nog, hij roept iedereen die denkt ergens aanspraak op te kunnen maken op om zich te melden: “En dan zullen we proberen die mensen te helpen bij het bewijzen van hun claim.” De Inspectie Cultuurbezit die zich hiermee bezighoudt heeft daar extra ondersteunend personeel voor gekregen. Nuis: “In de oorlog is een onvoorstelbaar onrecht geschied, dat met zulke enorme emoties gepaard gaat. Als we iets terug kunnen doen, dan moeten we dat doen. Ik zou het daarom jammer vinden als mensen door de zaak-Goudstikker het beeld hebben gekregen dat hun papier aan ons verspild is.”

Onderzoek naar de herkomst van schilderijen is ook van belang, zegt Nuis, om te voorkomen dat Nederland hetzelfde overkomt als Oostenrijk enkele weken geleden in New York. Daar werden twee kostbare schilderijen van Egon Schiele, die Oostenrijk had uitgeleend voor een expositie, in beslag genomen. De werken worden opgeëist door de Amerikaanse nazaten van Oostenrijkse joden. Nuis noemt het voorval zorgelijk, omdat de bereidheid van landen om kunst uit te lenen hierdoor wel eens zou kunnen afnemen. En die bereidheid is een voorwaarde om aansprekende exposities te kunnen samenstellen. De bewindsman vindt het incident een aanleiding om “de kwestie van de oorlogskunst in Europees verband aan de orde te stellen.” Er moet niet een wedstrijd ontstaan in “speculatieve procedures”.

Ook de Nederlandse staat claimt in het buitenland nog kunstwerken die tijdens de oorlog het land hebben verlaten, zoals het deel van de Koenigscollectie van oude tekeningen dat zich in Rusland bevindt. Nederland blijft werken aan de terugkeer, zegt Nuis: “Maar het wezenlijkst in al dit soort gevallen vind ik dat de kunst weer beschikbaar komt voor de wereldgemeenschap”. De Koenigscollectie is uit de kelders opgediept voor expositie in het Poesjkinmuseum. Nuis: “Dan zeg ik 'hartelijk dank'.”