De afbraakstaat

Ruim vier uur moesten bewoners van de Groningse Oosterparkwijk lijdzaam toezien hoe een groep jongeren zonder enig beletsel slopend en plunderend door hun buurt trok. Ruim vier uur wachtten ze tevergeefs op hulp. De politie verscheen pas toen de storm grotendeels was uitgeraasd. Meer dan een halve werkdag had de Groningse politie nodig gehad om voldoende manschappen te vinden die orde op zaken konden stellen.

In de nacht van 30 op 31 december is de burgers van de Oosterparkwijk één van de meest elementaire vormen van overheidszorg onthouden. Voor hun persoonlijke veiligheid konden zij niet meer rekenen op hun gezagsdragers. Groningen was afgezakt tot onder het niveau van de nachtwakersstaat.

De volgende dag zagen diezelfde burgers op alle mogelijke televisiezenders hun burgemeester verklaren dat het heel erg was wat die nacht was gebeurd. Maar voor het overige moest een ieder natuurlijk wel beseffen dat hij slechts bestuurlijk verantwoordelijk was en niet operationeel verantwoordelijk. Wat de politie enkele uren daarvoor niet was gelukt, lukte burgemeester Ouwerkerk wel: een straatje schoonvegen. Met een geheel nieuwe variant op de toch al zo multi-interpretabele verantwoordelijkheidsleer - niet operationeel verantwoordelijk - pleitte hij zichzelf volledig vrij.

Gisteravond, drie weken na het gebeurde en talloze kritische commentaren later, kwam dan toch eindelijk het hoge woord eruit. Tegenover de Groningse raadscommissie voor politiezaken erkende Ouwerkerk dat hij een “beoordelingsfout” had gemaakt. De fouten van de politie, waren ook zijn fouten. En daar waren ze vervolgens weer: de inmiddels van falende bestuurders zo vertrouwde excuses. De hoofdcommissaris van politie die tijdens de rellen met vakantie was, is uit zijn functie ontheven. Maar de burgemeester die de bewuste avond werd gebeld om toestemming voor ME-bijstand te verlenen (hoezo, niet operationeel verantwoordelijk?), peinst er niet over om uit zichzelf persoonlijke consequenties uit de crisis te trekken.

Misschien moet deze houding Ouwerkerk maar niet al te kwalijk worden genomen. Waarom zou hij zich roomser dan de paus moeten gedragen in het land waar het afschuiven van verantwoordelijkheden tot standaardbeleid lijkt te zijn verheven? Als de overheid haar eigen burgers op het cruciale punt van de persoonlijke bescherming in de steek laat, past geen gemarchandeer met de verantwoordelijkheidsvraag. Maar de Nederlandse bestuurders-cultuur is inmiddels een andere en werd dus ook Ouwerkerk geen Lord Carrington.

Over zes weken zal bij de gemeenteraadsverkiezingen blijken hoe de burgers in Groningen erover denken. Arme PvdA. Zoveel begrip als politici voor elkaars positie hebben, zoveel onbegrip is er bij de burgers. Dat onbegrip is niet terug te voeren op de welhaast natuurlijke afkeer van het 'volk' tegen de 'hoge heren'. Er is meer aan de hand. Volgens de politicologen Mark Bovens en Paul 't Hart neemt de publieke tolerantie voor falend overheidsbeleid af. Het was Ed. van Thijn die vorig jaar in zijn oratie bij de aanvaarding van de Dr. J.M. den Uylleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam hun studie 'Understanding Policy Fiascoes' aanhaalde, waarin dit werd gesignaleerd.

Eén van de kernpunten in deze oratie van Van Thijn was de vraag wanneer de positie van een bewindsman onhoudbaar is geworden. Kortom, een vorm van participerende wetenschap, want het was Van Thijn zelf die in 1994 pas na zeer veel aandringen van anderen als minister van Binnenlandse Zaken opstapte in verband met de IRT-affaire. Van Thijn geeft toe dat juist deze kwestie hem aan het denken heeft gezet over de ministeriële verantwoordelijkheid.

In zijn oratie formuleerde Van Thijn een aantal “stelregels” die aangeven wanneer de positie van een bewindsman onhoudbaar is geworden. Regels naast, zoals Van Thijn het zei, de reeds “algemeen aanvaarde regel” dat een bewindspersoon moet opstappen wanneer bewust of onbewust het parlement door onvoldoende of onjuiste informatie op het verkeerde been is gezet. Overigens bleek enkele maanden na het uitspreken van de oratie in de Tweede Kamer dat zelfs dit geen algemeen aanvaarde regel is. Onbewust verschaften de staatssecretarissen Patijn en Schmitz de Tweede Kamer verkeerde informatie over Iraanse asielzoekers, maar bewust bleven ze zitten.

Hoewel de waarde van de 'vuistregels' van Van Thijn in de politieke praktijk dus nihil lijkt te zijn, hebben ze voor de rest van het land wellicht nog wel enige betekenis. In elk geval maken ze duidelijk dat het publieke ongenoegen in Groningen over de burgemeester op enig 'wetenschappelijk fundament' kan terugvallen en dus niet louter van de straat of de oppositie is. Zo noemt Van Thijn de positie van een bestuurder onhoudbaar “wanneer een bepaald overheidsoptreden (of het nalaten daarvan) waarneembaar ernstige gevolgen heeft gehad en aan de goede naam van de Nederlandse overheid in binnen -en buitenland ernstige schade is toegebracht.” Het is niet overdreven om te constateren dat van de goede naam van de Groningse overheid na de Oosterparkwijk rellen weinig meer over is.

Ook de bestuurder die te maken heeft met een ernstige gezagscrisis, moet zich op zijn positie bezinnen, meent Van Thijn. Dat geldt dan vooral als hij als hoogstverantwoordelijke de greep op zijn beleidsterrein heeft verloren en ook niet aannnemelijk kan maken dat hij dat gezag binnen redelijke termijn zal weten te herwinnen. Het is inderdaad niet te verwachten dat Ouwerkerk ooit nog het vertrouwen van het Groningse politiekorps (dat de eigen hoofdcommissaris wèl zag vertrekken) zal weten te herwinnen.

De ultieme afweging of iemand moet opstappen is vanzelfsprekend een politieke. In Groningen zal volgende week tijdens de vergadering van de gemeenteraad deze politieke vraag aan de orde zijn. Maar een bestuurder met enig hart voor de publieke zaak laat het zover niet komen. Een burgemeester die zo'n diepe vertrouwenscrisis met zijn burgers heeft veroorzaakt als Ouwerkerk in Groningen stapt zelf op. Sterker nog: was al lang opgestapt.