Samenwerking ter bestrijding van werkgeversfraude; Als het RIF-team toeslaat

Sinds vier jaar is er het RIF-team - een samenwerkingsverband van verschillende overheidsdiensten ter bestrijding van fraude bij werkgevers. Het team onthulde bijvoorbeeld al de duistere praktijken in de taxi-branche. Vandaag levert het zijn vierde onderzoek af, over zogenoemde handmatige loonbedrijven. 'De verschillen in werkwijze tussen de verschillende diensten zijn ons grootste probleem', vindt de politiecommissaris.

Soms komen ze met twaalf man een bedrijf controleren. Ambtenaren van de vreemdelingenpolitie, van het GAK, van de Belastingdienst en van de arbeidsinspectie zwerven dan uit over bijvoorbeeld de enorme kassen van een glastuinbouwbedrijf in het Westland. Ze gaan op zoek naar bewijs voor werkgeversfraude. Het zijn geen razzia's, vaak wachten de ambtenaren even tot de koffiepauze om alle werknemers bij elkaar te hebben. Het gaat hun uiteindelijk niet om het personeel, maar om hun baas. Maar mocht een illegale werknemer een gat in een hek hebben geknipt om zich uit de voeten te maken, dan wordt van dat gat wel even een notitie gemaakt.

RIF-teams heten ze, de groepen ambtenaren van volledig verschillende pluimage die speuren naar alle soorten werkgevers- en ook werknemersfraude. Regionale Interdisciplinaire Fraudeteams zijn er in de vier grote steden sinds 1993 en in de regio Twente sinds april 1996. Hun taak is simpel: breng de fraude met belastingen, sociale premies en uitkeringen door het Nederlandse bedrijfsleven in kaart en doe dat per branche. Fraudebestrijding is, hand-in-hand met de belasting- en sociale zekerheidswetten, steeds ingewikkelder geworden. Het vergt inmiddels meer dan de inzet van één politieman of een controleur van het GAK die eens bij een bedrijfje naar binnen kijkt. Alle organisaties die met werkgeversfraude te maken hebben, dienen daarom voortaan samen te werken aan de bestrijding ervan, zo verordonneerden de ministers van Justitie en Sociale Zaken in 1993. De RIF's werden samenwerkingsverbanden waaraan de (vreemdelingen)politie meedoet samen met de opsporingsambtenaren van de sociale dienst, de Belastingdienst en de instellingen die de sociale verzekeringen en de volksverzekeringen uitvoeren, onder andere GAK, GUO en de Sociale Verzekeringsbank.

Niet elke bedrijfstak komt in aanmerking voor een RIF-onderzoek; de samenwerking moet wel zinvol zijn en er moet een gegronde reden zijn om te vermoeden dat fraude in een bepaalde bedrijfstak veel voorkomt. Zo stuitte het RIF-team Haaglanden na een fraude-onderzoek bij de Haagse visverwerkende industrie op het fenomeen handmatige loonbedrijven. Dergelijke bedrijfjes lenen arbeidskrachten uit voor ongeschoold werk en vormen voor de glastuinbouwbedrijven van het Westland een belangrijk arbeidsreservoir. Op grond van het gemeenschappelijke Fingerspitzengefühl van alle aan het RIF-team deelnemende instellingen werd geconcludeerd dat die loonbedrijven waarschijnlijk zeer fraudegevoelig zijn. En dat klopte. “De situatie die we bij loonbedrijven aantroffen, is bijna net zo erg als we vooraf hadden gevreesd”, vertelt de coördinator van het onderzoek naar de Haaglandse loonbedrijven, M. Coffeng van het Haagse Openbaar Ministerie.

De loonbedrijven bleken in alles te voldoen aan het profiel van een fraudegevoelige branche. Voor zo'n profiel kunnen alle RIF-deelnemers de informatie aanleveren. Zo kunnen de sociale dienst en uitvoeringsinstellingen als het GAK aangeven in welke branche opvallend veel frauderende uitkeringsgerechtigden voorkomen. “Op grond van zo'n vergelijking hebben we een RIF-onderzoek bij schoonmaakbedrijven gedaan”, vertelt Coffeng. “Daar werd veel gebruik gemaakt van mensen die in een uitkering zitten.”

Ook de Belastingdienst kan bijdragen aan het schetsen van het 'fraudebeeld' van een bedrijfstak. De dienst kan iets zeggen over werkgevers die geen, te weinig of onregelmatig hun belastingen en sociale premies afdragen. Vergelijkbaar is de informatie die de vreemdelingendienst kan geven; in bepaalde branches kunnen aanzienlijk meer illegalen voorkomen dan in andere. Mogelijk dat de Belastingdienst misbruik met sofi-nummers in die sectoren meer dan gemiddeld tegenkomt. De levensduur van een bedrijf is evenzeer een indicatie voor fraudegevoeligheid. “Starters-stakers, noemen we dat”, legt Haagse politiecommissaris H. van den Berge uit. Hij heeft fraudebestrijding in zijn portefeuille. “Ondernemingen met een looptijd van een à twee jaar zijn per definitie frauderisicodragende ondernemingen.”

Op grond van dergelijke kenmerken hebben de vijf RIF-teams de afgelopen jaren onder meer woningbemiddelingsbureaus, marktkooplui, rijscholen, visverwerkende bedrijven en de kermisbranche onder de loep genomen. In Amsterdam en Rotterdam werd verder met veel succes de taxibranche onderzocht. Die onderzoeken leverden ruim 37 miljoen gulden op aan naheffingen van belastingen, premies en uitkeringen. Van den Berge geeft aan dat ook in Den Haag de taxi's wel eens onderzocht zouden kunnen worden. “Het zou van de zotte zijn als we voor dat onderzoek geen gebruik zouden maken van de ervaringen in Amsterdam en Rotterdam”, vult Coffeng aan. Omgekeerd zou Amsterdam het Haagse onderzoek naar loonbedrijven kunnen gebruiken om de illegale naai-ateliers in de hoofdstad aan te pakken.

Als eenmaal gekozen is voor een bedrijfstak die wordt verondersteld fraudegevoelig te zijn, komt het RIF-onderzoek op gang. Zo'n onderzoek duurt ongeveer negen maanden waarin met gesprekken en literatuuronderzoek de kennis over de branche op peil wordt gebracht. Vervolgens worden steekproefsgewijs de boeken onderzocht en zogenoemde WTP's gehouden, de Waarnemingen Ter Plaatse.

Bij het Haagse onderzoek naar de agrarische loonbedrijven is uit de bijna tweehonderd van dergelijke bedrijven een steekproef van achttien getrokken. Bij het doorlichten van de boeken bleek al dat de keuze voor een onderzoek naar de loonbedrijven een goede is geweest. Bij veertien van de achttien bedrijven deugde er iets niet met de betaalde belasting of sociale premies. Met de 'WTP's' kwam ook de nodige werkgeversfraude aan het licht. Het ene bedrijf rommelde met de prikklok en het andere had illegale werknemers in dienst. Bij vier bedrijven werden valse bedrijfsdocumenten aangetroffen, ook maakten sommige loonbedrijven ten onrechte gebruik van het lage tarief van de omzetbelasting of liet een werkgever zijn personeel op sofinummers van anderen werken. Enkele loonbedrijven maakten zich schuldig aan koppelbazerij, het zonder vergunning uitlenen van arbeidskrachten waarover geen belasting en premies worden betaald. Vooral het vluchtige bestaan van bedrijven bleek op koppelbazerij te duiden; eigenaren van loonbedrijven laten na korte tijd hun bedrijfje ploffen waardoor de fiscus kan fluiten naar de belastingcenten. Meestal wordt even later een nieuw identiek bedrijf opgericht op naam van bijvoorbeeld de echtgenote van de ex-eigenaar die er ook de feitelijke leiding over heeft.

De achttien bedrijven betaalden samen jaarlijks zo'n tien miljoen gulden aan loon en het RIF-onderzoek wees uit dat ze voor vier miljoen aan naheffingen tegemoet kunnen zien. “Je zou dus van ons onderzoek kunnen zeggen dat het de belastingbetaler niets heeft gekost”, zegt Van den Berge. “Maar daar gaat het ons niet primair om. Toen de RIF-teams begonnen ging de politiek er nog van uit dat die heel veel strafrechtelijke onderzoeken zouden gaan draaien en grote fraudebedragen zouden binnenslepen. De opbrengst van de RIF-teams zit hem echter in de kennis over de knelpunten die je opdoet”, gelooft de politiecommissaris. Daarom werd bij het Haagse onderzoek naar fraude in de visverwerkende industrie ook niet de Scheveningse haven afgezet om illegalen die proberen te ontkomen op te vangen. “Het is niet onze doelstelling om tot in de finesses een strafzaak uit te pluizen”, zegt Van den Berge. “We willen alleen maar weten hoe bijvoorbeeld die loonbedrijven werken”, vult A. van Heel, die als wetenschappelijk medewerker aan het RIF-team is toegevoegd, aan.

Het viel niet mee om daar ter plaatse achter te komen. Loonbedrijven lenen hun mensen immers uit en het is niet altijd duidelijk aan wie. Bovendien bleek het ondoenlijk om ook maar vast te stellen hoeveel mensen bij de inlenende glastuinbouwbedrijven werken. De tomatenplanten stonden soms tot drie meter hoog en de kassen zijn zo uitgestrekt dat mensen elkaar alleen via de telefoon te woord kunnen staan. Bovendien moest het RIF-team een antwoord vinden op de vraag of de WTP, ofwel het bedrijfsbezoek, vooraf diende te worden aangekondigd of een verrassingsaanval moest zijn. De Belastingdienst waarschuwt bij een controle altijd vooraf. “Maar de politie is bepaald niet geneigd om een bezoek aan te kondigen”, lacht Van den Berge. Zo'n afweging raakt de kern van het bestaan van het RIF-team, namelijk de samenwerking tussen de verschillende organisaties. “De verschillen in werkwijze zijn het grootste probleem in de samenwerking. Maar we hebben in dit geval een middenweg gevonden: we waarschuwen een totale branche in onze regio dat een RIF-team eraan zit te komen. Maar wie, waar en wanneer, dat zeggen we er niet bij.”

Bij elkaar opgeteld leveren alle RIF-onderzoeken samen een baaierd aan kennis op waarop, wat de politiecommissaris betreft, de ministeries van Justitie en Sociale Zaken aangepaste wet- en regelgeving kunnen enten. Zo stuitten verschillende RIF-teams op de onwerkbaarheid van de Wet op de Identificatieplicht. Op grond van die wet zijn de werknemers van bijvoorbeeld het loonbedrijf niet verplicht zich bij de tuinder, de opdrachtgever van het loonbedrijf, te identificeren. Daardoor kunnen bij de inlener heel andere mensen werken dan de uitlener aan de belasting opgeeft, bijvoorbeeld illegale werknemers. Bovendien sluit de wet niet aan bij de Wet Ketenaansprakelijkheid. Op grond van die wet heeft de inlener, de tuinder, er alle belang bij precies te weten wie voor hem in de kassen werkt.

Aangepaste wet- en regelgeving is de laatste fase van de drietrapsraket van de fraudebestrijding die Van den Berge ziet. Eerst was er de overmatige aandacht voor de fraude onder werknemers, waarbij het met name ging om uitkeringsfraude. “Tegenwoordig wordt fraude van werknemers altijd ontdekt, dus nu is het tijd om aan werkgeversfraude aandacht te besteden.” Die handschoen hebben de RIF-teams opgepakt.

“Op grond van de gecombineerde ervaring van alle teams kan de overheid met wetgeving en regels de werkgeversfraude verder bestrijden”, gelooft Van den Berge. Hij vergelijkt het steevast met het werk van de parkeerpolitie. Die gaat geen bonnen uitschrijven als de gemeente nalaat duidelijk te maken waar wel en niet geparkeerd mag worden. “Maar als de gemeente paaltjes zet, dan kan de politie de automobilist bekeuren die zijn auto aan de verkeerde kant van het paaltje zet. Wat die RIF-teams doen is het doen van aanbevelingen bij het preventief bestrijden van fraude zodat de overheid weet waar zij paaltjes moet zetten.”