Rechters moeten mee veranderen

De rechterlijke macht moet ingrijpend veranderen, schrijft de commissie-Leemhuis in een advies aan minister Sorgdrager. Maar de rechters staan niet te trappelen. Wil de echte baas opstaan?

DEN HAAG, 21 JAN. Vijftien jaar geleden bepaalde het ministerie van Justitie nog waar de vloermatjes voor de rechtbanken centraal werden ingekocht. Maar het denken over een efficiënte overheid is sindsdien veranderd. Decentralisatie werd het nieuwe toverwoord. De rechterlijke macht moest mee veranderen.

De rechters stonden niet te trappelen. Zij spraken recht. De keuze voor een nieuwe documentalist, de aanschaf van andere computers of de inkoop van vloermatjes was de ver-van-hun-bed-show. “Rechters kijken vaak niet verder dan hun casus lang is”, zegt een hoge ambtenaar op het ministerie van Justitie.

Daar keek men overigens met een dubbel gevoel naar de haperende organisatie van de rechterlijke macht. Er moest gedencentraliseerd worden, maar tot hoever? Want de minister van Justitie, politiek verantwoordelijk, wilde wel weten waar al die miljoenen guldens voor de rechterlijke macht aan werden gespendeerd.

Zes jaar geleden kregen de rechtbanken daarom een directeur gerechtelijke ondersteuning (dgo). Hij werd verantwoordelijk voor onder meer het gebouw, de bibliotheek en het ondersteunend personeel, maar mocht zich niet bemoeien met het gerechtelijk personeel noch met de procesgang. De rechters bleven zelf bepalen wanneer welke zaken voorkomen. En het department hield op zijn beurt zicht op een deel van het geld, want de dgo legde verantwoording af aan de minister. Een succes, meent men op het departement.

Ondertussen richtten de schijnwerpers zich meer op de rechterlijke macht. De grote mega-zaken kwamen: tegen drugsbaron Johan de Hakkelaar V. en tegen de van grootschalige drugshandel verdachte Etienne U. Zo'n mega-zaak legt een grote druk op een rechtbank die vaak maanden duurt en waarvoor de voltallige kamer moet aantreden. Dat zijn drie rechters en een griffier.

De mega-zaken zorgden voor een omslagpunt. De rek raakte eruit, Rotterdam en Den Haag meldden vorig jaar de werkdruk niet langer aan te kunnen. De president van een rechtbank werd vaker op zijn leiderschap aangesproken. Maar ja, een president voor het beleid en een directeur gerechtelijke ondersteuning voor het beheer - wil de echte baas opstaan? Dat is de president. Maar aan wie legde hij dan verantwoording af?

In 1995 bracht een commissie onder leiding van R. Hoekstra van de Raad van State daarover een advies uit dat de rechters schokte. De gerechten (waaronder gerechtshoven, rechtbanken en bijzondere rechtscolleges vallen) zou een eigen bestuurscollege krijgen. Hierin zouden de president van de rechtbank, de vice-presidenten en de dgo zitting nemen. Het college zou het geld verdelen en het ondersteunend personeel beheren. En het zou verantwoording afleggen aan de minister van Justitie, die bovendien aanwijzingen kon geven over de besteding van het geld.

Voldeed een rechtbankpresident niet, dan kon de minister hem bij de Hoge Raad voordragen voor ontslag uit zijn beheersfunctie.

De trias politica op z'n kop, oordeelden de rechters. Waar bleef de zo gekoesterde scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht?

Daarna bleef het stil. Tot herfst 1996. Toen begon het Tweede-Kamerlid Dittrich (D66), zelf oud-rechter, over de problemen bij de gerechten: te weinig gericht op de klanten, te lange doorlooptijden. In een motie vroeg D66 om een nieuw onderzoek.

Het vandaag gepubliceerde advies van de commissaris van de koningin in Zuid-Holland, mevrouw Leemhuis-Stout, is daar een gevolg van. In haar advies krijgen gerechten ook een bestuur, deze keer bestaande uit de president, een directeur kwaliteit (eveneens rechter) en een directeur bedrijfsvoering (geen rechter). Maar het bestuur hoeft geen verantwoording af te leggen aan de minister van justitie. Dat moet ze doen aan de een nieuwe, landelijke raad voor rechtspraak, die bestaat uit drie rechters en twee niet-rechterlijke leden.

De minister toetst, zo schrijft de commissie, het door de raad gevoerde beheer marginaal op de doelmatigheid en volledig op de rechtmatigheid. De minister blijft politiek verantwoordelijk.

De komende dagen moet duidelijk worden of de rechters zich in deze oplossing kunnen vinden. Wellicht vinden ze dat de minister toch nog te veel in hun bevoegdheden treedt. Wel menen ze inmiddels dat er 'iets' moet gebeuren. Want naar de tijd van door het ministerie gekozen vloermatjes wil niemand meer terug.