Ombudsman voor belastingbetalers

We kennen in Nederland al 15 jaar een nationale ombudsman; nu is dat mr. Marten Oosting. Burgers en bedrijven kunnen daar terecht met klachten over overheidsinstellingen. Jaar in jaar uit is de Belastingdienst een van de grootste onderzoeksobjecten van de ombudsman. De fiscus vindt dat volstrekt niet verontrustend want de wijdvertakte overheidsdienst heeft nu eenmaal erg veel contacten met het publiek.

Glunderend placht de dienstleiding het aantal dagelijkse publiekscontacten te delen door het aantal klachten dat de ombudsman bereikt. Er resteert dan, zo verklaarde men triomfantelijk, een onwaarschijnlijk lage graad van onvrede over het optreden van de dienst.

Sinds enige tijd wordt onze gezamenlijke tevredenheidsgraad jaar op jaar wetenschappelijk vastgesteld: we beschouwen de Belastingdienst inderdaad als de best draaiende grote overheidsdienst. Wie zo goed is, zit niet te wachten op de smet van een klacht bij de ombudsman. De praktijk leert dat zo'n klacht en zelfs al het dreigen ermee, tot onverwachte toeschietelijkheid van een inspecteur kan leiden. Tot die conclusie komt een vooraanstaande landelijke deskundige in het fiscale klachtrecht, de Groningse belastinginspecteur dr. Smit, in een beoordeling van de effectiviteit van de Nationale ombudsman in belastingzaken.

Zijn bevindingen verschenen onlangs in het fiscale vakblad FED. Daarin maakt hij melding van een 'opvallende souplesse' die de dienst opeens aan de dag legt zodra een medewerker van de ombudsman zich bij een belastingkantoor meldt. Dat is een frappant resultaat voor een procedure die gratis, snel en informeel is. Wie bij de rechter terechtkomt, moet zich instellen op een langdurige en kostbare rechtsgang met tal van procedurele valkuilen. Smit beschouwt het werk van de ombudsman dan ook als 'een eersteklas vorm van alternatieve geschilbeslechting'.

Een deel van het succes schuilt in de manier waarop de ombudsman zaken zonder al te veel poespas uit het slop weet te trekken; soms met een enkel telefoontje. Zo moest de vrouw van een in Spanje gevangen gezette man motorrijtuigenbelasting doorbetalen voor de door de Spaanse politie in beslag genomen auto. Dat is wrang. Omdat het strikt formeel toch wel klopte, wilde de fiscus van geen wijken weten. Totdat de ombudsman zich met de zaak bemoeide, waarna de inspecteur prompt stopte met het sturen van aanslagen totdat de auto weer op de weg komt.

Deze zogenaamde interventiemethode werkt het snelst. Doorgaans moet de ombudsman evenwel een diepgaand en dus tijdrovend onderzoek instellen. Zijn onderzoek spitst zich dan toe op de vraag of ambtenaren (of bewindspersonen) zich behoorlijk hebben gedragen. Buiten zijn bereik ligt het overheidsbeleid, dat immers al politiek wordt getoetst, en ook de wetsinterpretatie, die al het domein van de rechter vormt. De ombudsman neemt die grenzen strikt in acht. Maar mr. Oosting speelt bij het afbakenen van de macht van de Belastingdienst toch op verschillende terreinen een voortrekkersrol. Zo dwong hij de fiscus ruimhartiger te zijn bij het toekennen van schadevergoeding (kosten en renten) aan gedupeerden van fouten van de Belastingdienst. Daar worstelt men met zulke acties, wat volgens Smit onder meer voortkomt uit een cultuurkloof tussen de ombudsman en belastingambtenaren. Die laatsten zien het als hun taak burgers te controleren. 'Zij worden zelf niet graag door een externe klachtinstantie op de vingers gekeken', zo signaleert Smit.

Dat effect ziet hij versterkt door een rechtssysteem dat de fiscus 'verwent' doordat er geen gevolgen worden verbonden aan schendingen van de formele regels van behoorlijk bestuur. Nu de belastingrechter op dit punt niet corrigerend optreedt, vindt de ombudsman in het afstraffen van dergelijk gedrag een dankbaar werkterrein. Maar dat leidt pas tot echte verbeteringen als de cultuur binnen de Belastingdienst verandert. Daarvoor kan het helpen, zo meent Smit, als de carrière van de ambtenaren mede afhankelijk wordt van het goed naleven van de door de ombudsman opgestelde behoorlijkheidsnormen. Dan moeten ze die normen wel kennen. De klachtdeskundige suggereert daarom om medewerkers van de ombudsman cursussen bij de Belastingdienst te laten geven.

Verder vindt hij dat enkele wettelijke inperkingen van de bevoegdheden van de Nationale ombudsman op fiscaal terrein snel moeten verdwijnen. Die beperkingen gelden niet voor twee andere instanties waar burgers terechtkunnen als de Belastingdienst over de schreef gaat: de verzoekschriftencommissies van de Tweede en de Eerste Kamer. Ook hier gaat het om een informele, snelle en goedkope behandeling van zaken die niet aan de (belasting)rechter voorgelegd kunnen worden. De Kamers kunnen evenwel anders dan de ombudsman ook een oordeel geven over het beleid van de Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën. De ombudsman daarentegen kan zich anders dan de Kamers buigen over problemen met andere (lagere) belastingheffers, waaronder gemeenten. Bij alle genoemde informele procedures valt op dat de professionele tegenstander van de Belastingdienst het goeddeels laat afweten. De belastingadviseurs zetten ten onrechte hun kaarten vrijwel alleen op de procedure bij de belastingrechter.