Met ongelijkheid in de zorg is op den duur iedereen beter af

Een impuls van 200 miljoen in de gezondheidszorg kan een besparing opleveren van 1 miljard gulden aan improductieve verzuimdagen. Waarom mag er toch nooit naar efficiency in de zorg worden gestreefd, vraagt Niek de Jong zich af.

Langzaam maar zeker komt een publiek debat op gang over tweedeling en voorrang in de gezondheidszorg. Opvallend daarbij zijn de posities die de maatschappelijke organisaties betrekken. Zo was deze week te vernemen dat de FNV het met voorrang behandelen van werknemers aanvaardbaar acht, mits andere patiënten daardoor niet gedupeerd worden.

Ook in wetenschappelijke kring zijn dergelijke geluiden te vernemen. Onlangs deed prof. W.P.M.M. van de Ven in deze krant het voorstel voor een maximum levertijd voor zorg als alternatief voor een verbod op voorrang.

Komen deze geluiden nu ook bij de politiek 'aan' en wat stelt men daar tegenover? Minister Borst erkende in een interview in Medisch Contact nog 'ruiterlijk' dat het kabinet de tweedeling als ongewenst effect van de privatisering van de sociale zekerheid heeft onderschat. Kamerleden als Oudkerk en Van Boxtel stelden hierop voor de privatisering van de Ziektewet terug te draaien, als de tweedeling in de zorg zich inderdaad voordoet.

Behalve het gebrek aan definities en feiten valt op dat de politieke discussie zeer eenzijdig en vanuit een negatieve invalshoek wordt gevoerd. Wellicht zijn hieraan electorale overwegingen debet. Alsof de ontwikkelingen in de sociale zekerheid en de zorgsector louter en alleen een negatieve kant hebben. Alsof verzekeraars en de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid (uvi's) geen maatschappelijke verantwoordelijkheid kennen. Juist om die reden hebben zij zich verenigd in het zogenoemde Kloosteroverleg, een platform van zorgverzekeraars, inkomensverzekeraars en uvi's, dat zich richt op de integratie van zorgbeleid en sociaal zekerheidsbeleid.

Niemand uit deze kring is voorstander van tweedeling, niemand is er op uit de toegang tot de gezondheidszorg te beperken tot de ene categorie burgers ten koste van een andere categorie. Alle deelnemers onderschrijven het standpunt dat de toegang tot de gezondheidszorg voor een ieder gelijk moet zijn, zonder aanzien des persoons.

Afgelopen jaren zijn opeenvolgende kabinetten doende geweest een andere structuur voor de sociale zekerheid te realiseren. Nederland was lange tijd een van de koplopers in Europa op het gebied van arbeidsverzuim en arbeidsongeschiktheid. Marktwerking en privatisering deden daarom hun intrede. Door een herverdeling van verantwoordelijkheden dienden werkgevers te worden geprikkeld om het verzuim te beperken. Nieuwe wetgeving, zoals de Wet uitbetaling loon bij ziekteverzuim (Wulbz) en de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheid (Pemba) werd van kracht.

Werkgevers hebben daardoor een financieel belang gekregen bij een snelle terugkeer van hun werknemers in het arbeidsproces. Met deze veranderingen beoogt het kabinet de kosten van de socialewerknemersverzekeringen nu en in de toekomst betaalbaar te houden.

Dit beleid blijkt succesvol: het verzuimpercentage is flink gedaald(2 procent-punt, goed voor een maatschappelijke besparing van 4 miljard gulden). Een ander effect is dat werkgevers zich tot de gezondheidszorg wenden met de vraag om een snellere behandeling van zieke werknemers. Die vraag stuit echter op het kraptemodel, dat de overheid sinds jaar en dag voor de gezondheidszorg hanteert. Door het beleidsprincipe 'het aanbod schept de vraag' wordt kunstmatige schaarste in stand gehouden.

Vroeg of laat botsen deze ontwikkelingen natuurlijk met elkaar. De werkgever maakt een kostenafweging tussen het terugdringen van het ziekteverzuim en het uittrekken van extra middelen voor de zorgverlening. Dat dit veel geld kan besparen laat zich makkelijk illustreren. Een extra impuls van 200 miljoen in de gezondheidszorg levert bijvoorbeeld een besparing op van ongeveer 1 miljard gulden aan improductieve verzuimdagen. Vooral de wachtlijsten van orthopeden en RIAGGs jagen werkgevers op kosten.

Werkgevers zijn bereid extra gelden voor hun zieke werknemers beschikbaar te stellen. Maar tot nog toe weigert de politiek deze te accepteren, omdat dit zou leiden tot een ongelijke toegang tot de gezondheidszorg. Het dogma van de gelijkheid in de gezondheidszorg lijkt zo belangrijk te zijn dat er geen oog is voor de grote maatschappelijke voordelen die in de sociale zekerheid en de gezondheidszorg samen te behalen zijn.

Het risico bestaat dat de politiek eerder afstevent op een situatie waarin iedereen even traag wordt behandeld dan op een situatie waarin iedereen met behulp van de doelmatigheidswinst sneller wordt geholpen.

De politiek moet nu duidelijk kiezen. Of er komt voldoende geld om wachtlijsten in de zorg op te lossen, waardoor er een oplossing komt voor ongelijke behandeling. Of men legt zich neer bij een zekere ongelijke behandeling zonder dat dit ten koste gaat van wie dan ook. Immers de private gelden leiden niet tot verdringing of voorrang maar tot extra capaciteit, waardoor de publieke wachtlijsten korter worden en niet-werknemers per saldo sneller geholpen. Vergelijk het met lange rijen aan de kassa van een supermarkt. Door het openen van een extra kassa komt iedereen sneller aan de beurt. Het gaat dus om de afweging 'gelijk maar even slecht' versus 'ongelijk en per saldo voor iedereen beter'. Die ongelijkheid is niet meer aan de orde wanneer door grotere doelmatigheid en meer geld voor de zorg de wachtlijsten worden opgelost.

Het uitwijken naar extra private middelen voor het zorgcircuit heeft overigens die doelmatigheidsprikkels voor het reguliere zorgcircuit in zich. Sterker nog, men kan stellen dat de effecten van de privatisering van de sociale zekerheid juist tot een broodnodige dynamiek binnen de zorgsector hebben geleid. Een dynamiek die het veld van de gezondheidszorg heeft opgeschud en die innovatief gedrag heeft gestimuleerd.

De politiek moet er niet toe overgaan de privatisering van de sociale zekerheid terug te draaien. Herstel van oude constellaties is onnodig en ongewenst. De politiek moet een duidelijke keuze niet uit de weg gaan.

Een wettelijk verbod op snelle hulpafspraken is ook geen optie. Het is een illusie te denken dat de koopkrachtige vraag naar zorg van de burger of van de werkgever hierdoor buitenspel kan worden gezet. De behoefte aan zorg en aan een snelle reïntegratie van zieke werknemers blijft immers bestaan. Via het reguliere circuit of anderszins, desnoods in het buitenland, zal men zich de gewenste zorg verschaffen.

Nee, er is beleid nodig dat zich richt op een integrale beleidsafweging van gezondheidszorg en sociale zekerheid. Daarom is het zo belangrijk dat een eind komt aan de bestaande verkokering tussen deze twee sectoren. Dat is in het belang van alle partijen: patiënten, consumenten, werknemers, werkgevers, verzekeraars, uvi's en overheid.