Idealist Smit voorvechter nationaal squash-instituut

Eric Smit doet komend weekeinde nog één poging om Nederlands kampioen squash te worden. Vanaf volgende week krijgt zijn maatschappelijke carrière voorrang, maar de squashwereld is nog niet van hem af.

ZOETERMEER, 21 JAN. Sport bedrijf je vanuit de onderbuik, zegt Eric Smit. Het is een kwestie van gevoel. Een raar, lekker gevoel. De 31-jarige squasher had deze maand grote moeite een baan te accepteren en zijn sportbeoefening op een lager pitje te zetten. “Ik moest wat doen. Ik ben afgestudeerd en de keuze was óf fullprof worden óf ermee kappen. Als ik twee jaar jonger was geweest, zou ik zeker zijn doorgegaan.” Hij blijft wel zo veel mogelijk trainen en spelen. “Squash is een belangrijk deel van mijn leven. Dat ga je niet als een doodgeboren kind afstoten.”

Smit weet nog precies wanneer hij voor het eerst naar een squashpartij keek: op 5 oktober 1979. Het ging om een demonstratiepartij tussen de Nederlandse kampioen Robert-Jan Anjema en de Pakistaanse oud-wereldkampioen Hashim Khan. “Mijn idool in die tijd was Adrie Boone, de aanvoerder van het eerste elftal van mijn voetbalclub. Een speler van niets, hij was een blauwe maandag prof geweest in Mechelen. En toen kwamen die twee bekende squashers in mijn stadje spelen. Ik raakte vooral geïmponeerd door de manier waarop dat kale, dikke mannetje die boomlange Nederlander partij gaf. Ik keek huizenhoog tegen die twee mannen op.”

Smit besloot zelf te gaan spelen, met succes. “Ik kon behoorlijk tafeltennissen en wist dat ik een goede oog-hand-coördinatie had.” Hij behoort al jaren tot de nationale top. Internationaal behoorde hij ooit tot de beste zeventig spelers van de wereld. Het had nog beter gekund, maar de lange, magere Smit heeft niet de ideale bouw voor een topspeler. Bovendien had hij wegens zijn studie bedrijfseconomie weinig tijd en geld om het internationale circuit af te lopen. Hij had meer interesses dan squash. “Ik ben een tijdje wild geweest. De echte topsporters zijn te serieus. Het zijn figuren met oogkleppen op en doorgaans niet de meest vrolijke mensen. Zeg maar gerust saai. Wat dat betreft vind ik het helemaal niet zo erg om het wereldje te verlaten.”

Dat laatste is niet helemaal waar. Smit is al ruim twee jaar bezig met een ambitieus plan. Hij wil een squashinstituut opzetten dat topspelers onderdak biedt en tevens talenten opleidt. Sinds een half jaar wonen er op initiatief van Smit twee Australiërs en een Fin in een huis in Hoofddorp. Ze spelen competitie in Nederland. Het idee van Smit moet nu verder worden uitgewerkt. De nationale squashbond (SBN) heeft zijn medewerking toegezegd. Het Frans Otten-stadion in Amsterdam is als centrum aangewezen voor het Dutch Squash Institute. Alleen de benodigde financiën ontbreken nog. “Iedereen vindt het een prachtig idee”, zegt Smit. “Maar het is moeilijk om sponsors te vinden.”

En als het geld er straks wel is, wordt Smit dan zelf de directeur? “Welnee! Er zijn mensen die dat denken. Het is puur idealisme. In het begin hoopte ik in het spoor van die buitenlanders mijn eigen spel te kunnen verbeteren. Dat is nu niet meer van toepassing, maar ik wil er wel aan meewerken om het Nederlandse squash een rol van betekenis te laten spelen in de wereld. Er is maar één manier om goed te worden en dat is door hard te werken. En dat kunnen we beter samen doen. Het talent is er. Een vluchtpoging uit het peloton heeft meer kans van slagen als je dat met anderen samendoet.”

De 19-jarige Tommy Berden is zo'n talent. “Een prima ventje”, constateert Smit. “Ik wil hem in de toekomst best adviseren. Maar momenteel is hij een concurrent van me.” De kans is groot dat hij zaterdag in de halve finale van het NK in Amsterdam tegenover Berden komt te staan. “Ach, ik heb al betere spelers verslagen”, reageert Smit nochalant.

Hij wil zichzelf niet te veel druk opleggen voor zijn “laatste serieuze kampioenschap”. “Ik zou het mooi vinden om een keer kampioen te worden. Zo'n titel zou ik als een soort Oscar voor al die jaren beschouwen. Maar als het niet lukt, is het ook geen ramp. Ik ben een gevoelsmens en een gevoelsspeler. Als ik me goed voel, kan ik heel goed spelen, maar het kan ook heel slecht gaan. Ik ben mentaal niet bepaald stabiel.”

Smit is een technische en aanvallende speler. “Ik wil straks echt niet alles zelf bepalen in het instituut, maar ik hoop wel dat de talenten creatief squash leren spelen.” Volgens Smit zijn de coaches belangrijk. Hij heeft kritiek op Jonah Barrington, de laatste bondscoach “Voor het geld dat hij heeft verdiend was zijn rendement niet voldoende. Hij kwam steeds weer met hetzelfde verhaal. Hij heeft mij in al die jaren bij de nationale ploeg geen nieuwe slag of combinatie aangeleerd.” De Nederlandse squashbond heeft inmiddels besloten geen nieuwe bondscoach aan te stellen. “Dat vind ik zo gek nog niet”, aldus Smit. “Misschien kan je het geld beter beschikbaar stellen voor iemand die talenten opleidt. Een hoofdcoach voor het instituut.”

De Nederlandse squashwereld kan attractieve spelers goed gebruiken. Vroeger viel squash vooral op door toernooien die in imposante zalen als het Kurhaus en de Beurs van Berlage werden gespeeld. Smit: “Ik ben destijds ook in het Kurhaus geweest. Het was een mooi gezicht om een squashpartij in een zaal te zien waar ooit de Rolling Stones hebben opgetreden.”

Smit vindt niet dat zijn sport te weinig aandacht krijgt. “Het is makkelijk om dat te roepen. We moeten het gewoon laten zien. We moeten er zelf voor zorgen dat de mensen naar ons kijken. Er gebeuren zo veel mooie dingen in de wereld die nooit aandacht krijgen. Zoals die eenzame saxofonist op straat. Hij is honderd keer beter dan Candy Dulfer, maar niemand zal ooit van hem horen.”