De musical Larry is nog niet in balans

Voorstelling: Larry, door American Songbook Productions. Concept: Cor Franc. Script: Pieter van de Waterbeemd. Spelers: Lou Landré, Joke de Kruijf, Jet van der Meij, Sylvia de Leur, Fred Butter, e.a. Muziek o.l.v. Dolf de Vries. Regie: Antoine Uitdehaag. Gezien: 20/1 in Chassé Theater, Breda. Tournee t/m 30/5. Inl. (035) 6244507.

Razend moeilijk is het, wat de makers van de musical Larry voor ogen stond. Ze wilden een gedramatiseerde, biografische ode brengen aan de tekstdichter Lorenz Hart die op de muziek van Richard Rodgers veel van de mooiste nummers uit de Amerikaanse show- en musical-geschiedenis heeft geschreven. Een ode aan aan Engelstalig repertoire moest het dus worden, waaraan extra betekenis zou worden gegeven door een context van spreekscenes in het Nederlands.

American Songbook, de kleine Nederlandse theaterproducent die de klassieke Amerikaanse songs tot werkterrein heeft, boekte eerder klinkend succes met You're the top, een dartele samenvatting van leven en werken van Cole Porter, met Willem Nijholt als ideaal hoofdrolspeler en -zanger. Larry is de volgende stap - en zo mogelijk nog ambitieuzer.

Lorenz alias Larry Hart wordt in deze voorstelling nadrukkelijk gepresenteerd als een niet-zingende, ietwat in de show business verdwaalde dichter, wiens levensverhaal een aaneenschakeling van onbeantwoorde liefdes van beiderlei kunne is geweest. Om hem heen speelt zich het spektakel van Broadway en Hollywood af, terwijl hij zich verliest in de fles en de zelfkant. De pathetiek ligt, kortom, op de loer.

Pieter van de Waterbeemd, die ook het script voor You're the top schreef, levert vóór de pauze snel en efficiënt het basismateriaal van de biografie om daar na de pauze op te reflecteren. Naar het voorbeeld van Hart zelf, die de mythologische oversteek van de Styx al eens spitsvondig gebruikte in de musical The boys from Siracuse (1938), is een nachtclub onder de naam Styx gecreëerd waar de hoofdpersoon door zijn belangrijkste omstanders wordt gedwongen zich uit te spreken over het verleden. Ook personages en situaties die vóór de pauze nauwelijks contouren kregen, worden dan uit en te na besproken. “Ik wil acceptatie, ik wil liefde en vriendschap!” roept de Hart-figuur uit, en het kost de toeschouwer moeite deernis te hebben bij zo'n expliciete vertaling van wat ons impliciet allang duidelijk was gemaakt. Voor een man wiens werk wordt gekenmerkt door afstand en ironie, is het bovendien een veel te larmoyante tekst.

De songs van Rodgers en Hart vormen in dit bouwwerk de illustraties bij de biografie; ze illustreren in het Engels wat in het Nederlands wordt gezegd - en vaak door een hoofdpersoon, die óók nog links en rechts Shakespeare citeert in het Engels. Het minste wat men daarom mag eisen, is dat die songteksten woord voor woord verstaanbaar zijn. Dat zijn ze echter niet; het typische New York-idioom van Larry Hart komt niet tot zijn recht als het - zoals hier - nogal routine-matig wordt gezongen. Zo krijgen veel nummers een ondermaatse, nachtclub-achtige vertolking die volstrekt in strijd is met de betekenis (zoals The lady is a tramp) en het geestige, beeldschone Manhattan is gebruikt als falderalderiere-finale.

Een kwalijke rol wordt daarbij gespeeld door het zesmansorkest, dat zich met veel hakkehakkeboemboem een weg baant door de partituren en de zangers vaak overstemt. Voor de zwierige muziek van Rodgers is lang niet altijd een groot orkest met strijkers nodig; ook een fijnzinnig klinkend combo kan er veel moois mee uitrichten. Maar deze formatie wil bijna alles vullen met muziek. Een dieptepunt wordt bereikt als de gitaar gaat gillen en janken en jengelen in een overgedramatiseerde climax van het ooit zo tere My funny Valentine.

Lou Landré, als Hart, maakt inderdaad een verdwaalde indruk. In een ensemble dat het stereotiepe musical-acteren gewend is, zoekt hij naar de nuancering - en die vindt hij in een benard ogende lichaamstaal en een kortaffe manier van spreken. Behoorlijk tegenspel krijgt hij soms van Joke de Kruijf, als een dansmeisje dat naar een betere wereld haakt, en Sylvia de Leur als de redderige moeder. “God kan niet overal zijn,” luidt één van de korzelige commentaren die Hart in de mond zijn gelegd. “Daarom schiep hij moeders. Joodse moeders.”

Landré weet wel weg met zo'n tragi-komische grap, en regisseur Antoine Uitdehaag heeft af en toe, temidden van de frivoliteiten van zang en dans, ook wel ruimte geschapen voor zulke accenten. Maar in balans is de voorstelling lang niet; daarvoor hebben de makers ditmaal te hoog gegrepen.