Voor allochtonen mag selectielat lager

Allochtonen komen gemiddeld minder goed uit intelligentietests. Wat betekent dat, vraagt P.J.D. Drenth, en vooral: wat betekent dat niet.

De laatste weken is in de media nogal wat te doen geweest over de dissertatie van J. te Nijenhuis. Daarin werden testscores van allochtonen en autochtonen in Nederland vergeleken. Er werd gediscussieerd over de vraag of men tests wel mag gebruiken voor een vergelijking van de intelligentie van groeperingen met verschillende culturele achtergronden. Zijn allochtonen werkelijk 'dommer', of is dat maar schijn die bedriegt, omdat de test niet eerlijk is? Ook vroeg men zich af of bedrijven die selectietests hanteren die lagere scores voor allochtonen laten zien, niet terecht de beschuldiging van discriminatie over zich afroepen. Kortom, het gevoelige onderwerp van de vergelijkbaarheid van, al dan niet erfelijk bepaalde, intelligentie met betrekking tot cultureel en etnisch verschillende groeperingen kwam in zijn volle breedte over tafel.

Het is misschien goed de discussie over het onderzoek van Te Nijenhuis terug te brengen tot juiste proporties. Zijn onderzoek kwam neer op het volgende: jaarlijks testen en selecteren de NS duizenden sollicitanten. Dat gebeurt zorgvuldig en weloverwogen, ook al omdat het vaak gaat om functies waarbij de zorg voor de veiligheid van passagiers en personeel vooropstaat. Daarbij zitten er nogal wat zogenoemde intelligentietests in het testprogramma. Nu bleek dat allochtone sollicitanten (en we spreken over zeer grote groepen) gemiddeld duidelijk lagere testscores behalen dan autochtone sollicitanten.

De vraag was: moeten we dat serieus nemen (en dus minder allochtonen aannemen) of geeft de test een onderwaardering van hun kunnen, omdat ze een culturele handicap hebben, en moeten we voor hen de lat wat lager leggen? In dat laatste geval zou sprake zijn van discriminatie.

Dit probleem is door Te Nijenhuis door middel van zorgvuldig empirisch onderzoek uitgezocht. Hij heeft nagegaan of misschien te veel typisch Nederlandse woorden, taken of opdrachten in de tests zouden zitten, waardoor de allochtone sollicitant benadeeld zou worden. Dat bleek niet of nauwelijks het geval.

Vervolgens heeft Te Nijenhuis nagegaan of de gegeven testscores voor allochtonen zouden corresponderen met een hogere score in de opleiding of in de latere werkprestaties dan dezelfde scores voor autochtonen. Ook dit bleek niet het geval. Een lagere testscore kwam overeen met lagere scores in opleiding en werk, en een hogere testscore met hogere scores in opleiding en werk, en dat op gelijke wijze voor allochtonen en autochtonen. Er is dus geen sprake van discriminatie van allochtonen als men voor beide groeperingen dezelfde normen hanteert. De gevonden verschillen tussen autochtonen en allochtonen wijzen dus op werkelijk bestaande en (met het oog op het te voorspellen gedrag) relevante verschillen.

Wat zou een verantwoorde theoretische interpretatie kunnen zijn van de gevonden verschillen op de intelligentietests? Niet meer (of niet minder) dan de volgende: gemiddeld scoren eerste-generatie allochtonen lager op tests die een type intelligentie meten dat gangbaar is in Westerse, ontwikkelde maatschappijen - een soort intelligentie dat ook bepalend is voor goede prestaties op school, opleiding en beroep in dit soort landen.

Men onderschatte overigens het belang van deze vorm van intelligentie niet. Deze is waarschijnlijk verantwoordelijk voor de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en vooruitgang.

De juiste portee (inclusief de beperkingen) van deze interpretatie wordt wellicht nog duidelijker als we onder ogen zien welke gevolgtrekkingen uit de resultaten van dit onderzoek in elk geval niet mogen worden gemaakt.

Ten eerste dat deze verschillen ook in de tweede en derde generatie allochtonen zullen worden aangetroffen. Onderzoek bij het Amsterdamse onderzoekcentrum NOA en ook onderzoek op Molukse populaties laat zien dat bedoelde verschillen bij volgende generaties kleiner worden.

Ten tweede is het niet zo dat allochtonen minder intelligent, laat staan 'dommer', zouden zijn dan autochtonen. Allereerst al omdat intelligentie zelf een cultuurbepaald begrip is. Men zou haar ook kunnen omschrijven als de mate waarin men in staat is zich aan te passen aan en in te spelen op uitdagingen en bedreigingen van de omgeving. Dan zal het duidelijk zijn dat dat voor kinderen in de sloppen van Calcutta heel wat anders inhoudt dan voor schoolkinderen in het Gooi of voor jonge Bushmen in de Kalahari woestijn. Vervolgens omdat intelligentietests nooit cultuurvrij zijn, dus nooit iets kunnen meten dat vrij is van invloeden van opvoeding en omgeving. Met andere woorden, men meet altijd een cultuurbepaalde vorm van intelligentie.

Ten derde - en dat moet na het voorgaande wel duidelijk zijn - mag niet worden geconcludeerd dat het hierbij zou gaan om erfelijk bepaalde kwaliteiten. Niet ontkend kan worden dat een belangrijk percentage (60 procent of meer) van de verschillen in intelligentie in een bepaalde populatie erfelijk bepaald is, maar dit mag niet leiden tot soortgelijke conclusies over verschillen tussen etnische groeperingen. Het onderzoek van Te Nijenhuis laat, gezien de aard van de tests en de steekproeven, wat dit betreft ook geen enkele conclusie toe.

Er mag ook niet van uitgegaan worden dat de gevonden verschillen voor de hele groepering allochtonen zou gelden. We praten over gemiddelden, waaromheen zich de normaalcurven spreiden. Dat betekent dat talloze allochtonen hoger scoren dan ook het gemiddelde van autochtonen. Met andere woorden: kijk naar het individu en niet naar de categorie.

Ten vijfde moet er voor worden gewaakt dat de conclusie van Te Nijenhuis (dat tests niet discrimineren) nu zou gelden voor alle in gebruik zijnde tests in Nederland. Het zou mij niet verbazen als het tegendeel het geval was. Als men nagaat hoeveel tijd en zorgvuldigheid het vereist om de culturele vooringenomenheid van tests te identificeren en uit te bannen, lijkt het zeer waarschijnlijk dat vele tests en testprocedures die in Nederland in gebruik zijn, de discriminatietoets niet kunnen doorstaan.

Ten slotte moeten we niet bij de pakken neerzitten. We moeten niet accepteren dat relatief veel minder allochtonen worden aangenomen op scholen en in functies waarvoor geselecteerd wordt. Ik ben er voor om voor allochtonen inderdaad de selectielat lager te leggen. Maar niet zonder meer. Dan komt de sollicitant van de regen in de drup en faalt hij of zij in de opleiding of de functie. Ook is verlaging van de eindnormen voor deze groep geen oplossing. Niemand zit te wachten op tweederangstechnici of -artsen.

Wat we nodig hebben is een koppeling aan een programma van speciale leerwegen en extra aandacht en begeleiding om te zorgen dat men wel de eindstreep haalt en wel goed leert functioneren. Dit is de enige weg om te voorkomen dat een grote groep landgenoten blijvend wordt uitgesloten van opleiding en werk.